Zoeken
Nieuwsbrief
Rubrieken
Anno en Sportgeschiedenis WK special (5)
Atletiek (326)
Auto- en motorsport (80)
Ballen (26)
Basketbal (49)
Boksen (138)
Bowls (2)
Cerilly en de Tour de France (2)
Cricket (19)
Darts (10)
De Klassieker (149)
De verjaardag van Bep van Klaveren (19)
Diversen (15)
EK dagboek (28)
EK voetbal 2008 (67)
Gegroet Beijing, hier Olympia! (15)
Gewichtheffen (12)
Golf (11)
Het ontstaan van de Spelen (38)
Het stadioncomplex (9)
Hockey (52)
Honk- en softbal (20)
Judo (35)
Karin in Peking (9)
Lacrosse (4)
Nederlands goud (116)
Nico Scheepmaker Beker (67)
Olympisch Stadion Amsterdam (517)
Olympisch vuur (76)
Olympische Spelen Algemeen (204)
Olympische Winterspelen (225)
Olympische Zomerspelen (795)
Op weg naar Peking (558)
Opmerkelijke sporten (16)
Overig (211)
Paardensport (42)
Persberichtmomenten (10)
Politiek (4)
Roeien (46)
Rugby (26)
Schaatsen (467)
Schermen (13)
Schietsport (10)
Snooker (22)
Sport (niet) in beeld (15)
Sport en politiek (457)
Sport in beeld (604)
Sportboeken (648)
Sportdocumentaires IDFA 2010 (10)
Sportdvd's (38)
Sportfilmfestival Den Bosch (21)
Sportjournalistiek (116)
Tennis (85)
Turnen (42)
Uncategorized (4)
Vergeten sporthelden (108)
Voetbal (2038)
Volleybal (17)
Werk (1)
Wielrennen (686)
Zeilen (24)
Zwemmen (116)
Subside Sports
KillerTees T-shirts
Voetbalkleding
Vakantie Griekenland
Voetbalshirts.com
Fotogeschenken
Druh Belts
Teamkleding
MEC Training
Aart Kok Vouwwagens
Combi-Camp Vouwwagens
Tuinhuisjes & paardenboxen
Multimediaal
Olympische stadions in de tijd, De Feyenoord sportquiz, Sportnieuws op de kaart, een tag cloud, en het Sportbeeld van de dag archief. Kijk verder »
Sportbeeld van de dag
Waarom heersen de Afrikanen op de lange afstanden?Ajax en de gewonnen Europacup II van 1987: "Het was bagger."
6-5-2007
Ze mogen dan twaalf jaar verschillen in leeftijd, de loopbanen van Arnold Mühren (55) en Sonny Silooy (43) vertonen diverse overeenkomsten. Beiden hebben een Ajax-verleden en ze werken nu aan de toekomst van hun club. Zowel Mühren als Silooy begon als 'broekie' in De Meer, vertrok naar verloop van tijd naar het buitenland om enkele jaren later terug te keren in de moederschoot. Bovendien stonden de twee oud-internationals (ook dat is een gemeenschappelijk kenmerk) twintig jaar geleden in de bijkans vergeten Europacupfinale tegen Lokomotive Leipzig. De bekertriomf was ook de eerste internationale prijs voor de trainer Johan Cruijff. Voldoende redenen dus om beiden eens aan de praattafel uit te nodigen.
Door Hans Janssen / De Ajacied
De kantine van De Toekomst ademt Ajax. Prijzenkasten met trofeeën en oorkondes herinneren aan vervlogen en vooral succesvolle tijden. En aan een aantal tafels zitten mensen die samen tientallen jaren Amsterdamse voetbalhistorie vertegenwoordigen: jeugdtrainer Dirk de Groot (wordt die man eigenlijk wel oud?), assistent-bondscoach John van 't Schip, stagiair Peter van Vossen, Aron Winter (die eerer in het blad De Ajacied aan het woord kwam als hoofdverantwoordelijke van Jong Ajax), E1-trainer Michel Kreek en de al genoemde Sonny Silooy. Voorwaar een schat aan ervaring, waarvan de dragers op dit middaguur gemoedelijk, maar altijd indachtig dat ene doel (slagen als Ajacied) allerlei ervaringen en indrukken uitwisselen. Over ervaring gesproken: daar komt Arnold Mühren binnen. De geboren en getogen Volendammer werd op zijn 37e nog Europees kampioen met het Nederlands elftal en was daarvóór succesvol bij Ajax en de Engelse Premier-Leagueclubs Ipswich Town en Manchester United.
De gememoreerde Europacup II was de veruit minst aansprekende Europese hoofdprijs voor clubteams. De finale die Ajax won, was de zwakste van alle acht de Europacupfinales die het in zijn historie heeft mogen spelen. Maar daar maalde na afloop niemand om. Cruijffs door velen zo verfoeide idealistische aanpak had haar vruchten afgeworpen, al bleef de verwachte show van de Amsterdamse jeugdbende (gemiddelde leeftijd 23 jaar, één dertiger: Arnold Mühren) uit. Misschien wel, omdat Mühren op halve kracht speelde, Danny Blind een dag vóór de eindstrijd geblesseerd afhaakte en Ronald Spelbos (ook gekwetst) en Johnny Bosman (geschorst) al eerder waren afgevallen. Ene Frank Verlaat werd zodoende, in het hart van de defensie, als debutant voor de leeuwen geworpen. Het oogstrelende en aanvallende spel waarmee in de voorafgaande duels de finaleplaats werd afgedwongen, bleef nu uit. Wilskracht gaf ditmaal de doorslag. Dit alles vermeldt de cv niet van Mühren en Silooy; desondanks blijven ze trots op de prijs die ze hebben veroverd in het land van de god Ajax. Niet in het minst, omdat deze Europese trofee de enige is waar ze als Ajacied daadwerkelijk een aandeel in hebben gehad.
Gespannen?
Het was voor beiden ook de eerste finale, waarbij ze in actie kwamen. Arnold Mühren speelde in het seizoen 1972-'73 weliswaar de nodige Europacupduels, maar in de eindstrijd tegen Juventus was voor hem geen seconde weggelegd. Het was nota bene in zijn tweede jeugd dat hij, tegen Lokomotive Leipzig, aan de aftrap stond van zijn eerste EC-eindstrijd. Voor Silooy leek dat heel lang een utopie. In de voorafgaande jaren was het immers bijna normaal dat Ajax in de eerste ronde van een EC-toernooi werd uitgeschakeld. Er stond dus wat op het spel toen ze die avond aan het karwei met de anonieme tegenstander uit Oost-Duitsland begonnen. Waren ze mede hierdoor extra gespannen?
Sonny: "Nee hoor, we hebben er op eenzelfde manier naar toegeleefd als bij de voorgaande wedstrijden in het toernooi. We gingen een dag van tevoren, zoals altijd, naar het strand. Helaas gebeurde daar wel het ongelukje waardoor Danny de finale miste. We waren aan het rugbyen of zoiets, toen Frank Rijkaard op Danny's knie viel. Los van dat geval, ging het er relaxed aan toe. 's Avonds gingen we naar het stadion, voor een partijtje. En ook wat dat betreft weken we niet af van de gebruikelijke voorbereiding. Nog even iets over het strand: het was zoals altijd de bedoeling van de groep om tijdens die strandwandeling een trainer in het water te gooien. Lukte niet altijd en in zulke gevallen pakten we dan Sjakie Wolfs (de toenmalige materiaalman, red.). Hij was een gewillig slachtoffer. In Athene waren we wat van plan met Tonnie Bruins Slot (Cruijffs rechterhand, red.). Pim van Dord (Ajax' verzorger in die tijd, red.) en Johan Cruijff hadden uit voorzorg al een veilig heenkomen gezocht op een hogere plek. Tonnie had pas heel laat door dat hij ditmaal het slachtoffer zou worden. Hij wilde nog wegrennen en een eind maken aan de training, maar daar dachten wij anders over. Met vier, vijf spelers doken we op hem en gooiden hem in zee".
Arnold: "Hij was wel zo sportief om niet tegen te stribbelen. Dat was traditie, dat hoorde er gewoon bij".
Sonny: "Maar hij was wel bang voor zijn horloge, die moest hij eerst afdoen en dan zou hij wel meewerken. Zo gezegd zo gedaan".
Toen, een dag later, de wedstrijd zelf. Begon het, terwijl de tijd wegtikte, echt niet te kriebelen?
Sonny: "Nou, het stadion was niet eens uitverkocht. Het was meer een lege bak waarin we speelden. We hadden ook gehoopt op een andere, meer aansprekende tegenstander. Het is een slechte wedstrijd geworden. Ik heb het ook nooit meer teruggezien. Alleen mijn beslissende voorzet, die zie ik elk jaar een aantal keren voorbij komen. Het leukste voor ons was dat we Ajax voor het eerst in veertien jaar weer aan een Europacup hebben geholpen. En dat met zo'n jong team".
Arnold: "Maar het was eigenlijk een baggerwedstrijd. Vond het wel mooi dat Marco van Basten die voorzet van Sonny in het doel kopte. Tijdens het seizoen werd hij geregeld geplaagd door een blessure aan die veelbesproken enkel. Johan spaarde hem dan in de competitie, maar eiste wel van hem dat hij er in de finale zou staan. Als je die speelt, zo hield Johan hem voor, dan moet je er staan, dan moet je scoren. Nou, hij stond er! Ik speelde dus ook mee, maar eigenlijk kon ik niet mee doen. Ik had een blessure aan mijn achillespees, die provisorisch aan elkaar werd geplakt en waarvan de dokter zei dat het onverantwoord was om er mee te voetballen. Zelfs de voorzitter (Ton Harmsen, red.) maakte zich er zorgen over. Johan heeft me toen op de man af gevraagd of ik het aandurfde. Ik wilde niet afhaken, waarna mijn pijnlijke been tot net onder de knie moest worden ingetaped. Op dat moment werd Danny, tijdens de warming-up, nog getest".
Sonny: "Het resultaat daarvan was voor mij van belang, want als Danny zou meedoen, zou ik op links staan en anders zou ik diens positie als rechtsback innemen".
Arnold: "Er waren dus veel vraagtekens en onzekerheden over de opstelling. Het is dan ook niet raar dat Johan me min of meer dwong mee te doen. 'Ik speel gewoon', heb ik toen gezegd, want het was misschien wel de laatste finale die ik ooit zou meemaken. Ik heb het tot een minuut of tien voor het eind volgehouden, Arnold Scholten kwam me toen vervangen".
Sonny: "Voor mij was het dus even afwachten op welke plek ik zou beginnen, omdat de inzetbaarheid van Danny dubieus was. Toen bleek dat hij niet beschikbaar was, werd Peter Boeve ingeseind dat hij op links van start zou gaan en ik op rechts".
Voorzet
En dat kwam achteraf goed uit, want het was Sonny Silooy, die in de 21e minuut aan de basis stond van het enige doelpunt in de verder saaie wedstrijd. Na een combinatie met John van 't Schip stoomde de 'moderne verdediger'over rechts op om de bal vanaf de achterlijn voor het doel te lepelen waar Marco van Basten de 1-0 inkopte. Een doelpunt uit het boekje.
Sonny: "Och, misschien was het Danny ook gelukt. En zo'n actie had ik over links ook kunnen maken, dan had ik een combinatie opgezet met Arnold. Dat heb ik wel vaker gedaan. We oefenden niet voor niets op dit soort acties".
Arnold: "Dat klopt, we hadden een goede wisselwerking en vulden elkaar goed aan. Sonny was er meer voor het verdedigende aspect, mijn kracht lag vooral in de opbouw. Waar ik niet zo goed in was, werd door hem opgelost en andersom gebeurde dat ook. Ik had er dan ook profijt van dat Sonny achter me stond. Hij had nog jonge benen. Ik was niet iemand die een tegenstander aanpakte".
Sonny: "En daar lagen juist mijn kwaliteiten, terwijl ik opbouwend de bal steeds aan Arnold meegaf".
Arnold: "Zo bouw je ook een elftal op. In een team moet je rekening houden met elkaars sterke en zwakke punten, waarbij de sterke punten natuurlijk benadrukt worden en de zwakke zoveel mogelijk verbloemd. En dat kon die groep in 1987 vrij goed. Er was in ieder geval een betere balans dan toen ik een paar jaar eerder bij Ajax mijn rentree maakte. Ik weet nog wel dat we toen een man of acht voor de aanval hadden. Jan Wouters was er bijvoorbeeld nog niet, die kwam pas een jaar na mijn komst. Voor de achterhoede hadden we eigenlijk alleen Ronald, Sonny, Peter en Danny. Daarom koos Johan zo vaak voor de aanval, we hadden geen keus. Zo'n offensieve spelopvatting zou vandaag echt niet meer kunnen. Nu met acht aanvallers beginnen, is zelfmoord. Toen kon het ook, omdat we goed op balbezit konden spelen".
Hoe sterk was Lokomotive Leipzig eigenlijk?
Sonny: "Uitgesproken Oostblok. Dan weet je het wel. Met twee spitsen. Achteraf bleek dat er toch een paar best wel aardige voetballers bij zaten. Een aantal van hen is enkele jaren later naar het buitenland vertrokken".
Arnold: "Lokomotive stond bekend als een stugge ploeg, die veel loopvermogen bevatte en conditioneel sterk was. Echte sterren, naar onze maatstaven, kende de ploeg amper. Ze was gewoon degelijk en we beseften ons goed dat we er niet zomaar over heen zouden kunnen lopen. Wij hadden toen een relatief jonge groep, die goed kon voetballen, maar zich internationaal gezien nog moest bewijzen. Later zou blijken dat verschillende spelers van dit team het nog ver zouden schoppen".
De Volendammer kon zelf die avond niet voluit gaan wegens zijn achillespeesblessure. Silooy speelde evenmin een toppartij. Hij maakte althans een ogenschijnlijk nerveuze indruk.
Sonny: "Ach welnee, ik speelde op een bepaald moment de bal terug op Stanley Menzo, maar de bal stuitte ineens op. Dat werd in de verslagen al snel verkeerd uitgelegd. Het was wel het enige gevaarlijke moment voor ons doel. Verder was er niks aan de hand. Wat de kracht van Ajax dat seizoen was? Volgens mij was dat de balans in het elftal: met de ervaring van Ronald en Arnold respectievelijk achterin en op het middenveld en verder de onbevangenheid van een aantal jeugdige spelers. En ik denk dat Johan een dominante rol heeft gespeeld door de ploeg zo te laten voetballen zoals hij het in gedachten had".
Arnold: "Ik heb Johan ook als speler meegemaakt, maar volgens mij was hij als trainer niet anders. Als speler regelde hij alles en was hij de spreekbuis van het elftal. Als trainer ging hij op eenzelfde manier te werk. Wat heel bijzonder was: bij positiespelletjes op de training was hij nog steeds de beste, al was hij wat ouder en kon hij niet alles meer belopen. Daarmee dwing je als trainer veel respect af, dan kun je er als speler zelfs van genieten. Wat hem ook zo apart maakte: hoe jong of oud een speler ook was, als hij dacht dat iemand het aankon, dan werd zo'n speler opgesteld. Zo deed hij dat met Frank, die op het laatste moment Ronald moest vervangen. Hij had gewoon lak aan leeftijd. Opzienbarend was ook dat hij Stanley niet als keeper, maar in feite als laatste man liet spelen".
Sonny: "En hij schroomde niet om de beste spelers aan te pakken, zoals Marco en Frank. Om die spelers op hun verantwoordelijkheden te wijzen, waardoor het elftal bleef draaien. Soms dacht je wel eens: wat zeurt die toch, maar zo terugkijkende weet ik zeker dat iedereen er beter van geworden is".
Basis
De triomf in Athene was het grootste succes waarop het tweetal als Ajacied kan bogen. Wat heeft Ajax hen als speler nog meer opgeleverd?
Arnold: "Door Ajax zijn we echt in beeld gekomen. Ik kwam van Volendam waar ik in mijn eerste jaar kampioen werd van de eerste divisie en het seizoen erop dus in de eredivisie mocht uitkomen. Toen ik in 1971 naar Ajax vertrok, ging voor mij een wereld open. Zeker voor een jonge speler als ik toen was. Was net negentien. Het was ook het eerste jaar van spelers als Johnny Rep en Gerrie Kleton met wie ik toen het meest optrok. Ik ging ook veel om met Johan Neeskens, die zijn eerste seizoen in De Meer achter de rug had. Ik kwam terecht in een ploeg, waarvan de meeste spelers al wat ouder waren en die net hun eerste Europacup hadden gewonnen. Ineens maak je daar deel van uit en wordt er over je gesproken, veel meer in ieder geval dan wat ik bij Volendam gewend was. In die eerste jaren bij Ajax heb ik de basis gelegd voor mijn verdere carrière. Leerde weliswaar niet zo veel van de trainer die toen voor de groep stond, Kovacs, maar stak vooral het nodige op van mijn ploeggenoten. Toen ik medio jaren tachtig als speler terugkeerde bij Ajax was ik de oudste, maar heb dat nooit als een probleem ervaren. Johan Cruijff kende me nog van vroeger en wilde er juist wat ervaring én een linkspoot bij hebben. Was ik toen bij een wat mindere ploeg aan de slag gegaan, dan had het anders gelegen. Bij Ajax kwam ik terecht in een jonge, gretige groep bestaande uit spelers die aan het begin van hun loopbaan stonden. Dat is wat anders dan wanneer je als relatief oude speler de kar moet trekken. Ik ging er gewoon in mee. Weet je: ik voel me een bevoorrecht mens dat ik door de jaren heen heb mogen samenwerken met de meeste aansprekende spelers die het Nederlands voetbal ooit heeft gekend. In twee generaties, die van de jaren zeventig en die van de jaren tachtig. Van Cruijff tot Van Basten en verder spelers als Rijkaard, De Wit, Gullit en Koeman. Heb ook altijd bij topclubs onder contract gestaan, heb nooit tegen degradatie hoeven te vechten. En speelde bijna altijd Europees: met Ajax, FC Twente, Ipswich Town, Manchester United en ten slotte weer Ajax".
Sonny: "Toen ík voor het eerst bij de A-selectie kwam, trof ik net als Arnold een groep met de nodige ervaren spelers en was ik één van de jongsten. Stond ik daar met Johan Cruijff, Sören Lerby en Piet Schrijvers op het veld. Daar keek ik toch wel tegen op. Net als jij, Arnold, in jouw begintijd, hield ik aanvankelijk mijn mond. Of ik meer bravoure had dan Arnold op zijn leeftijd? Nee hoor, helemaal niet. Nee, echt niet. Heel veel mensen hebben daar een slecht beeld van. Ik kwam echt niet als een branieschopper binnen van 'hé joh, hoe is-ie nou?' Dat zou ik nu misschien wel doen, maar toen zeker niet. Ik was net zeventien, je had juist respect voor vooral die oudere spelers en dan zou ik Wim Jansen bijna vergeten. Ik kwam pas kijken, had bij wijze van spreken met de A-junioren nog geen toernooi gewonnen, terwijl hij al twee WK-finales had gespeeld. Snap je?"
Over titeltoernooien gesproken: Arnold behaalde tijdens de eindronden van het Europees kampioenschap in 1988 zijn grootste succes. Met Oranje pakte hij de lelijke trofee door de Sovjetunie met 2-0 te kloppen. Sonny Silooy had gezien zijn staat van dienst ook een rol op dat EK verdiend, was normaal gesproken ook geselecteerd, maar pure pech voorkwam dat. Het missen van dat toernooi, door een oogkasblessure, zal hij altijd als de meest zwarte bladzijde in zijn voetbalboek beschouwen.
Sonny: "Dat was hét dieptepunt in mijn hele carrière. Drie maanden voor het toernooi kreeg ik in een bekerwedstrijd een schop tegen mijn gezicht. Puur een ongelukje, 'te danken' aan een ploeggenoot van Matra Racing Club Paris. Ik wilde een bal wegkoppen en hij schiet me zo tegen mijn gezicht. Ik kreeg toen te horen dat het beter was om voorlopig niet te gaan voetballen. Als ik dat advies naast me had neergelegd, dan had ik het risico gelopen blind te worden. Heb het opgevolgd, al deed het me wel pijn. Ik was in die tijd basisspeler van Oranje. Wim Koevermans ging als vervanger van mij mee, terwijl ik daar thuis zat te huilen. Gelukkig heeft Marco me nog genoemd, na die gewonnen finale. Ook Ronald Spelbos betrok hij erbij, ook hij had wegens een blessure moeten afhaken".
Arnold: "Voor mij was dit EK juist een toetje. Dat verwacht je toch niet op de leeftijd die ik toen had (37, red). En dat allemaal op het eind van mijn loopbaan. Fantastisch, al had ik ook wel een beetje mazzel dat er in die tijd niet veel linkspoten van hoog niveau waren. Je had eigenlijk alleen Erwin Koeman. Ik weet nog wel dat zelfs zijn broer Ronald een keer linkshalf heeft gespeeld. In een wedstrijd tegen Polen was dat, werd één-één. Daarna kwam ik op die positie te spelen en ben er blijven staan tot en met de finale tegen de Sovjetunie".
In die eindstrijd gaf hij de gouden assist waaruit Van Basten op fenomenale wijze de 2-0 achter Rinat Dassajev knalde.
Arnold: "Maar die voorzet van mij was lang niet zo goed als de bal waarmee Sonny Marco liet scoren tegen Lokomotive. Zo moet een bal aankomen. Mijn pass op Marco kwam veel te ver van het doel terecht. Het was wel mijn bedoeling om de bal naar voren te spelen, maar die pass was gewoon niet goed, ook al praten er nog zoveel mensen vol verwondering over. Sommige andere voorzetten van mij waren veel beter, maar daar heeft niemand het over. Ik kon er verder ook niks aan doen dat Marco die bal er zo mooi inschoot. Was echt uniek, dat lukt niet veel spelers".
Davids
Over finales gesproken: Silooy speelde in 1996 zijn tweede Europacupfinale. Ajax' bijna volmaakte successenreeks in het seizoen 1994-'95 (inclusief het winnen van de Champions League) beleefde de Zaankanter behoudens een enkele wedstrijd vanaf de zijlijn. Het jaar erop kreeg hij een herkansing, toen Ajax andermaal tegen een Italiaanse ploeg in de eindstrijd van het belangrijkste Europacuptoernooi stond. Een jaar na de triomf op AC Milan was Juventus echter te sterk, zij het na strafschoppen. Ofschoon we geen oude wonden willen openrijten, moeten we met Sonny toch even terugblikken op die penaltyserie, die noodzakelijk was geworden, omdat het duel in Rome ook na verlenging gelijk (1-1) was geëindigd. Zelf denkt de toenmalige rechtsback nog maar zelden aan het drama, maar "vooral kleine kinderen die toen nog geboren moesten worden, herinneren me er wel eens aan. 'Hé', zeggen ze dan, 'jij hebt toen toch een strafschop gemist?' Tja", vertelt Sonny, terwijl hij zijn schouders ophaalt. "Het was de tweede penalty voor ons die er niet in ging; Edgar Davids had de eerste al op de keeper geschoten. Mijn misser deed Ajax de das om, omdat Juventus alles benutte. Ik heb er best wel moeilijk mee gehad, nog weken erna. Ik wilde hem helemaal niet nemen, maar wat moest ik: anderen die er meer ervaring mee hadden, die hadden zich al teruggetrokken. Als je een penalty niet neemt, dan kun je 'm ook niet missen. En ik nam hem en miste...".
Edgar Davids, de naam is gevallen. Net als Arnold Mühren, Sonny Silooy, Johan Cruijff, Frank Rijkaard, Richard Witschge, Aron Winter, Frank Verlaat, Stanley Menzo en Jari Litmanen maakte hij onlangs na een buitenlands uitstapje een comeback bij Ajax. Wat vinden onze tafelgasten, ook als ervaringsdeskundige, van de terugkeer van Davids?
Sonny: "Ik weet nog wel hoe ik terugkwam bij Ajax. Had het gevoel dat ik weer thuis was. Ik kwam binnen en ging mijn werk doen, zo simpel lag dat. Edgar maakt volgens mij op ongeveer dezelfde leeftijd bij Ajax zijn rentree als jij, of niet Arnold?"
Arnold: "Ik was nog iets ouder toen, maar wat Edgar betreft: het is altijd goed om zo'n jongen er gezien zijn enthousiasme en ervaring bij te hebben. Is ook goed voor de balans in het team. Met hem en Gabri in zijn rug kan Sneijder bovendien wat aanvallender spelen. Achterin had je al Jaap Stam en dit alles zou het spel dus ten goede moeten komen. Laten we hopen dat Edgar het twee jaar kan opbrengen".
Sonny: "Mocht hij met Ajax nog een finale bereiken, dan hoop ik dat hij er dan wel een strafschop in schiet, ha, ha. Ik heb die kans nooit meer gehad. Die finale tegen Juventus was echt mijn laatste wedstrijd voor Ajax. Mijn laatste trap ook. Ik heb het niet meer goedmaken. Edgar nog wel...".
Arnolds laatste optreden was de wedstrijd Ajax - Willem II, in mei 1989, in De Meer. "We wonnen en ik weet nog wel dat [reservekeeper] Lloyd Doesburg me op zijn rug nam. Hij droeg me het hele stadion rond. Zet me neer, vroeg ik hem steeds, maar hij ging maar door. In zijn eentje. Een maand later verongelukte hij bij die vliegramp in Paramaribo. Dat vergeet ik nooit meer, als ik de foto's zie waarop Doesburg me draagt".
Comeback
Niet alleen als voetballer, ook als (jeugd)trainer maakte Arnold Mühren ooit zijn comeback. We citeren uit 'Voetbal is een feest', het boek van broerlief Gerrie, met wie hij zowel bij Ajax als later in tal van jeugdkampen samenwerkte: 'Nadat hij met een Europese titel op zak, op het hoogtepunt van zijn carriere, besloot te stoppen, trainde hij het eerste jaar de jeugd van Ajax voor een luttel bedrag. Hij wilde zich eerst waarmaken. Arnold dacht: als ik mijn best doe dan kan ik daar straks de vruchten van plukken. Het seizoen daarop vroeg hij voor zijn arbeid als jeugdtrainer 10.000 gulden per jaar meer. Prompt liet Ajax hem vallen. Het kocht liever een speler voor enkele miljoenen guldens. Arnold en ik hebben nog een aantal gesprekken gehad met Leo Beenhakker. We waren er daarna vast van overtuigd dat alles geregeld zou worden, ook financieel. Maar er gebeurde mooi niets'. Arnold onderschrijft het relaas van Gerrie. "Ik heb inderdaad een jaartje de D-tjes getraind, de D1 en de D2. Daarna ben ik vertrokken, omdat de club afspraken niet nakwam. Die werden plotseling teruggedraaid, omdat er volgens Harmsen belastingschulden waren en het binnen de club niet lekker liep. Ik wil graag bij Ajax werken, maar ik ga daar niet voor op de knieën liggen. Als er geen vertrouwen is, dan kan ik niet lekker werken. Er mocht bovendien best een redelijke vergoeding tegenover staan. Ik hoef echt geen miljonair te worden, dan moet je hier sowieso niet in de jeugdopleiding gaan werken. Dat weet je ook als jeugdtrainer, dat is op zich heel normaal", vertelt Arnold, die direct wordt bijgevallen door Sonny.
"Je moet niet denken dat jeugdtrainers bij Ajax bakken met geld verdienen. Het is eigenlijk alleen maar investeren in jezelf en dan blijkt op den duur vanzelf waar het schip strandt. Daarbij speelt ook mee dat het gezin voor mij nu voorop staat. Als het ten koste gaat van mijn vrouw en kinderen, dan stop ik ermee. Toen ik nog voetbalde, stonden zij op de tweede plaats. Kijk, bij jou (kijkend naar Arnold, red.) zijn de kinderen het huis uit". En dat scheelt een flinke slok op de borrel, wil Sonny ermee zeggen. Hij is overigens vader van een zoon van veertien en een dochter van zestien jaar, Arnold heeft twee dochters en een zoon (van dertig, negenentwintig en vijfentwintig jaar). Sonny: "En wonen die echt allemaal niet meer bij jou? Meestal is dat toch anders". Gelukkig niet (meer), zie je Arnold denken.
Terug naar Arnolds trainerscarrière. "Ik heb zes jaar voetbalclinics gegeven. Door het hele land, met Gerrie. Het ging hartstikke goed, maar op een bepaald moment begonnen de sponsors zich terug te trekken en dat betekende dat wij geen shirtjes meer konden uitdelen. En daar was het de kinderen die meededen voor een deel wel om te doen. Of je nu wel of niet kon voetballen: zo'n shirtje was iets geweldigs. Daar kon je mee thuis komen en pronken. Gerrie en ik hebben toen getwijfeld of we door zouden gaan. Dat zou inhouden dat de kosten voor de clubs te hoog zouden worden en dat de clinis alleen nog bij vermogende verenigingen konden plaatsvinden. Jongetjes uit Friesland, die bij wijze van spreken op klompen of lieslaarzen wat wilden leren, zouden dan buiten de boot vallen. We zijn er mee gestopt, waarna ik ruim twee jaar bij Volendam heb gewerkt, totdat Hans Westerhof (toenmalig hoofd opleidingen bij Ajax, red.) me eind jaren negentig benaderde. Halverwege het seizoen overstappen naar Ajax kon ik niet maken, want dan kwam ik Volendam niet meer in. Te meer daar het bij de club toen zo verschrikkelijk slecht ging, maar daar zal ik je niet mee vermoeien. Heb toen gezegd dat hij het aan het eind van het seizoen nogmaals moest proberen. Dat gebeurde en ik kon zelfs naar de A1. Ik vroeg hem wat er nog meer over was. Als ik maar met kinderen kan werken, dan vind ik het wel goed. C1, C2, D1, ik had het voor het uitzoeken. Persoonlijk vind ik de leeftijd van tien tot veertien jaar aantrekkelijk, daar kun je nog het meeste mee uitrichten. Die jongens hebben nog idolen, kunnen nog grote stappen maken in hun ontwikkeling. Uiteindelijk ben ik bij de C2 begonnen".
Dat was dus een jaar of zes geleden. Sonny ging enkele jaren later als jeugdtrainer bij Ajax aan de slag. Toen stond de jeugdopleiding van de Amsterdamse club amper tot discussie. De laatste tijd wordt ze juist geregeld onder vuur genomen: er komen in vergelijking met vroeger te weinig talenten door, de toppers in spe zijn te klein en letterlijk en figuurlijk te licht, etcetera. Arnold en Silooy willen nog net niet spreken van een infaam en abject oordeel, maar ze zijn het er zicht- en hoorbaar niet mee eens.
Ophouden met kritiek op jeugdopleiding
De jongste van het stel: "Ah, het wordt allemaal verkeerd geïnterpreteerd. De jeugdopleiding is gewoon goed, maar ze moet wel beter worden. Ze behoort nog steeds één van de betere ter wereld, maar dat wil niet zeggen dat je als club moet blijven zoeken naar punten die versterkt kunnen worden. Daarom trainen sinds kort één keer in de week de selectie van het eerste elftal en mijn groep samen om te kijken wat vooral mijn jongens daar van kunnen leren. Die stap is echt niet zo groot en dan kan het gebeuren dat een jongen als Mitchell Donald boven komt drijven. Vorig seizoen was hij nog een B-junior. Maar zo zijn er meer punten waaraan gewerkt wordt en...".
Voordat Sonny zijn zin kan afmaken, legt Arnold zijn mening op tafel. "Mensen moeten eens stoppen met die kritiek op de jeugdopleiding van Ajax. Heel Nederland moet blij zijn met de manier waarop hier spelers worden groot gebracht. Er lopen wel honderd spelers afkomstig van Ajax rond in de diverse eredivisieclubs, maar ook in het buitenland. Als over de grenzen het jeugdvoetbal ter sprake komt, dan hebben ze het bijna altijd over Ajax. Nooit toch over de talenten van Feyenoord, PSV of AZ?".
Arnold en Sonny hebben duidelijk moeite met de kanttekeningen die bij de Ajax-school worden geplaatst. Niet alleen 'de media' en andere externe partijen, zelfs voorzitter John Jaakke legde eerder dit jaar, in zijn nieuwjaarstoespraak, de vinger op de zere plek.
Sonny, als door een adder gebeten: "Als het met het eerste elftal niet goed gaat, dan ligt dat altijd aan de jeugdopleiding. En wat de voorzitter betreft: misschien moet hij eens vaker hier komen. Om te kijken hoe het met ons gaat".
Arnold: "Och, zolang ze hier contracten van jeugdspelers openbreken om hen tot 2011 vast te leggen, dan valt het nogal mee met ook de bedenkingen die er intern zouden bestaan. D'r zitten toch niet voor niets zoveel spelers uit de eigen kweek bij het eerste elftal? Iets anders: er wordt zoveel geklaagd over die jeugdspelers, maar hoe zat het dan met Rosenberg (inmiddels verkocht aan Werder Bremen, red.) of andere jongens, die voor vijf of zes miljoen euro gekomen zijn en het beoogde niveau evenmin halen. En waar dus in feite geld bij moet, want je krijgt er altijd minder geld voor terug. Uitzonderingen daargelaten, kan ik best een boekje volschrijven over spelers die hier níet geslaagd zijn en wat de club KAPITALEN heeft gekost. Kortom, wees maar eens erg blij met wat wij hier allemaal doen en met het aantal spelers uit de jeugd dat geregeld in de hoofdmacht uitkomt. Zo slecht is het echt niet".
"We kunnen er gewoon niet omheen: Ajax heeft nog steeds een heel grote naam. En dat merk jij, Arnold, toch ook als jij met jouw kleintjes naar het buitenland gaat?! Ze komen altijd naar ons toe, vragen altijd om speldjes, om foto's", verduidelijkt Sonny, die het net als Arnold een eer vindt dat hij eerst als speler en nu als (jeugd)trainer aan Ajax verbonden is.
Arnold: "Je kunt het ook omdraaien: van Ajax uit geredeneerd is het natuurlijk ook fantastisch dat al die oud-spelers hier in de jeugdopleiding willen werken. En dat terwijl ze misschien elders ook aan de slag hadden gekund en zelfs op een hoger niveau. Dat is toch fantastisch?!"
Maar hoe kon het dan zo mislopen met coryfeeën als Blind en Wouters, die als hoofdtrainer bij Ajax te werk werden gesteld en daarin uiteindelijk op zijn zachtst gezegd een illusie armer werden.
Sonny: "Dan heb je het wel over oud-spelers, die de ambitie hadden om hoofdtrainer te willen worden. Dat is een bewuste keus en dan kan het goed, maar ook slecht aflopen. Beiden hebben de pech gehad dat ze die functie moesten uitvoeren in een periode dat het minder ging met de club en dat het bestuur zich niet unaniem achter hen wilde opstellen. Tja, dan is het klaar".
Ambitie
Wouters en Blind zijn dus geenszins gelukkig geweest als hoofdtrainer van Ajax. Durven Sonny en Arnold, met deze nare ervaringen in hun achterhoofd, een vergelijkbare functie na te streven?
Arnold: "Ik denk dat de situatie voor ons beiden wat anders ligt. Ik heb wat met kinderen, wil graag wat met kinderen doen. Tja en in het leven moet je keuzes maken. Kijk, als je aan de cursus betaald voetbal begint, dan doe je dat om ooit een eerste elftal te willen gaan trainen. Daar heb ik nooit voor gekozen. Ik werk het liefst op de achtergrond, wil de jeugd graag wat dingen bijbrengen. Ik ben drieëntwintig jaar betaald voetballer geweest. Al die tijd sta je in de aandacht, zijn de schijnwerpers op je gericht. Dat hoeft echt niet meer voor mij. Ik heb mijn stekje gevonden. Ik denk dat Sonny's ambitie wat anders ligt".
Sonny: "Ik moet eerlijk toegeven dat ik in eerste instantie niet aan een trainersloopbaan heb gedacht. Helemaal niet zelfs. Heb eerst twee jaar bij de amateurs van Unitas gespeeld, ben daarna, achter de schermen, voor het produktiebedrijf van Harry Vermeegen gaan werken. Maar toen zat ik vooral binnen. Ik ben een buitenmens, een avonturier. Ondertussen had ik wel wat trainerscursussen gevolgd en in het kader daarvan liep ik bij de B2 stage. Heel toevallig kwam er toen een plaatsje vrij, bij de D3. Op verzoek van Danny ben ik die gaan trainen, vervolgens heb ik de D2 gekregen. Nu ben ik aan mijn tweede seizoen bij de A1 bezig waar het werk vooral in het teken staat van opleiden en de spelers op allerlei gebieden voorbereiden op wat hen te wachten staat. Mitchell Donald heb ik bijvoorbeeld wat tips gegeven voordat hij tegen Werder Bremen debuteerde. Ik zit echt op een mooie positie bij Ajax en misschien kan ik nog wel een tree hoger komen. Waar ik dan aan denk? Ajax is op dit moment wel dé club voor mij. Ga maar na: alles is goed geregeld. Naar welke club in Nederland ik ook ooit zou gaan, het zou waarschijnlijk overal één, misschien wel twee stapjes terug betekenen. Maar eerst moet ik de cursus coach betaald voetbal gaan volgen".
Arnold: "Ik was ook in beeld voor het trainerschap van de A1, maar die ambitie heb ik dus niet. Ik voel me happy bij jongens van tien tot veertien jaar".
En dan vertelt Sonny dat hij toch al ervaring heeft opgedaan als trainer van een seniorenteam. Vier jaar geleden ging hij aan de slag bij de toenmalige amateur-vierdeklasser RCZ in zijn woonplaats Zaandam . "Dat waren allemaal bouwvakkers. Ik zal het nooit vergeten. De club kwam zonder trainer te zitten en ik wilde juist ergens ervaring op gaan doen. De kans kwam als een geschenk uit de hemel en ik heb er een ontzettend leuke tijd gehad. Ik heb er gelachen, met mensen gewerkt van wie ik me afvroeg: 'Wat is dit?' En na afloop van elke wedstrijd was het direct hijsen en roken, je weet wel hoe dat gaat bij een vierdeklasser. Toch zijn we zelfs als tweede geëindigd, hebben we de nacompetitie bereikt en kwamen we één luttel doelpunt tekort voor promotie. Jammer, RCZ was echt een leuke club".





geplaatst op: 7-5-2007 20:01:49u.
geplaatst op: 6-5-2007 21:19:53u. | e-mail