Zoeken
Nieuwsbrief
Rubrieken
Anno en Sportgeschiedenis WK special (5)
Atletiek (326)
Auto- en motorsport (80)
Ballen (26)
Basketbal (49)
Boksen (138)
Bowls (2)
Cerilly en de Tour de France (2)
Cricket (19)
Darts (10)
De Klassieker (149)
De verjaardag van Bep van Klaveren (19)
Diversen (15)
EK dagboek (28)
EK voetbal 2008 (67)
Gegroet Beijing, hier Olympia! (15)
Gewichtheffen (12)
Golf (11)
Het ontstaan van de Spelen (38)
Het stadioncomplex (9)
Hockey (52)
Honk- en softbal (20)
Judo (35)
Karin in Peking (9)
Lacrosse (4)
Nederlands goud (116)
Nico Scheepmaker Beker (67)
Olympisch Stadion Amsterdam (517)
Olympisch vuur (76)
Olympische Spelen Algemeen (204)
Olympische Winterspelen (225)
Olympische Zomerspelen (795)
Op weg naar Peking (558)
Opmerkelijke sporten (16)
Overig (211)
Paardensport (42)
Persberichtmomenten (10)
Politiek (4)
Roeien (46)
Rugby (26)
Schaatsen (467)
Schermen (13)
Schietsport (10)
Snooker (22)
Sport (niet) in beeld (15)
Sport en politiek (458)
Sport in beeld (604)
Sportboeken (648)
Sportdocumentaires IDFA 2010 (10)
Sportdvd's (38)
Sportfilmfestival Den Bosch (21)
Sportjournalistiek (116)
Tennis (85)
Turnen (42)
Uncategorized (4)
Vergeten sporthelden (108)
Voetbal (2039)
Volleybal (17)
Werk (1)
Wielrennen (686)
Zeilen (24)
Zwemmen (117)
Subside Sports
KillerTees T-shirts
Voetbalkleding
Vakantie Griekenland
Voetbalshirts.com
Fotogeschenken
Druh Belts
Teamkleding
MEC Training
Aart Kok Vouwwagens
Combi-Camp Vouwwagens
Tuinhuisjes & paardenboxen
Multimediaal
Olympische stadions in de tijd, De Feyenoord sportquiz, Sportnieuws op de kaart, een tag cloud, en het Sportbeeld van de dag archief. Kijk verder »
Hel van '63 geript van Mannen van '63
Door Jurryt van de Vooren 13-11-2009Volgende week is de persvoorstelling van de speelfilm De Hel van ‘63. Het script hiervan is grotendeels geript van het VPRO-project De Mannen van ‘63 van Marnix Koolhaas en ondergetekende. Conclusie: De Mannen van ‘63 + beroerd acteerwerk van soapsnolletjes = De Hel van ‘63.
.jpg)
Zelfs de kroonprins bezoekt volgende maand de officiële première van de speelfilm over de Elfstedentocht van 1963. Centraal hierin staan de herinneringen van Henk Gemser, die als één van de 69 toerrijders de eindstreep haalde.
In oktober 2002, inmiddels dus al zeven jaar geleden, vertelde Gemser voor de eerste keer dit verhaal aan Marnix en mij. Hij deed dit voor een radiodocumentaire, hier luisteren, en het boek De Mannen van ‘63.
Filmmaker Steven de Jong gaat hiermee nu aan de haal voor zijn nieuwe film – zonder bronvermelding. Naast de film wordt er zelfs een boek uitgegeven met de speelfilm als basis.
Je kan nu wel wachten tot die rommel op de markt is, maar waarom zou je? Hier is namelijk het originele verhaal van Gemser. Als je er zelf wat slechte dialogen en dramatisch acteerwerk van soapsnolletjes bij denkt, heb je De Hel van ’63 al gezien.
Het originele verhaal van Henk Gemser
Ik ben geboren op 6 april 1940 in Berlikum, tussen Franeker en Leeuwarden. Ik ben dus nog net van vóór de oorlog.
Mijn vader was gymnastiekleraar. Hij verdiende zijn geld vooral bij turn- en gymnastiekverenigingen, die had je toen in ieder dorp. Net als ijsclubs waren dat sociale ontmoetingsplaatsen. Mijn moeder was de dochter van een landarbeider uit het noorden van Friesland.
We kwamen thuis niets te kort, maar luxe was er zeker niet, het was heel schraal. Lichamelijke opvoeding bestond nog niet als verplicht vak. Dat heeft tot ver na de oorlog geduurd: het vak stond helemaal niet op de kaart. Mijn vader heeft zich maximaal gemobiliseerd om daar iets in te betekenen. Ook was hij schaatstrainer van Martha Wieringa, de veelvoudig kortebaankampioene. Op die manier ben ik vermoedelijk besmet geraakt met het begeleidingsvirus. Ik ben opgegroeid in dat wereldje.
Na de oorlog zijn we naar Franeker verhuisd.
Ik heb ook nog een broer en een zuster. Mijn broer is een hele enthousiaste kerel, die net als ik in het onderwijs zit. Tijdens mijn jeugd heb ik heel veel van wat cultuurgoed is in Friesland met de paplepel ingegoten gekregen. Dus ook het hardrijden en de Elfstedentocht.
Als je in Franeker opgroeit, maak je dat heel intens mee. De ijsbaan lag aan de Harlingerweg. Als het vroor was dat de sociale ontmoetingsplaats. Er was verlichting, het was gezellig en iedereen kwam mee. Vooral ’s avonds was het supergezellig. Jonge jongens, jonge meisjes, bedenk het allemaal maar. En dan schaatsten we op onze houtjes. Er waren in heel Franeker twee of drie mensen die noren hadden. Voor de rest reed iedereen op houtjes.
Ik schaatste graag. Toen ik veertien was ben ik voor de eerste keer naar een kortebaanwedstrijd geweest, in Jorwerd, samen met Annie Schuurman, met wie ik later getrouwd ben en die daar nu op de bank zit. Haar vader nam ons mee.
Zo’n kortebaanwedstrijd is een traditioneel gebeuren, zeker nog in die tijd. Ik heb meegereden, en kwam in de prijzen. Direct met een foto in de krant, heel indrukwekkend. Ik wist niet wat me overkwam.
Toen ben ik ook fanatiek gaan schaatsen, ik deed al aan atletiek. Er waren twee jongens die een jaar ouder waren dan ik, en die echt beter waren. Toen zij naar de ‘Jongens A’ overgingen, mocht ik als 16-jarige nog een jaar bij de ‘Jongens B’ rijden.
De winter van 1956/57 had mijn winter moeten worden. Half november was al de eerste wedstrijd ergens bij Dronrijp: dat begon goed. Ik meen dat er tachtig jongens afkwamen op die wedstrijd. Daar was ik uitgesproken de beste en won ik ook. Applaus, applaus, applaus.
Toen is er die hele winter daarna geen ijs meer geweest. Ik had de hele zomer getraind. We deden aan atletiek, we deden aan wielrennen. Dat was niet met het materiaal van nu: atletiek op gras, en wielrennen deden we op gewone standaardfietsen, met in elk dorp een koersje om de toren. Echt sportmateriaal was er nog nauwelijks. Ja, jammer dat het die winter niet meer wilde vriezen. Ik heb dat schaatsen toen wel heel enthousiast gedaan.
Er was bij ons thuis een heel sterk streven naar beter, daarom mocht ik ook naar de HBS. De hele opvoeding, het hele didactische handelen van je omgeving en van je ouders was vergeven met: ‘Het moet beter dan het was’, en: ‘Je moet het beste uit jezelf halen’.
Daar was geen discussie over, en er werd niet gevraagd wat je wilde. Dat was bijna een dictaat, daar zat een automatisme in wat je gewoon werd opgelegd van jongs af aan. Als je faalde, dan faalde je echt. Je voelde dat als een declasseren van jezelf. Zo werd het zelfs gepresenteerd. Dat niet iedereen dezelfde aanleg had, werd in die tijd maar moeilijk geaccepteerd.
Toen ik 18 jaar oud was kwam ik van de HBS. Ik hoefde niet direct in militaire dienst, en toen ben ik vier jaar naar Amsterdam gegaan om mijn akte te halen. Aan sport heb ik niet veel kunnen doen. Het was studeren of sporten. Geld voor allebei was er niet.

Henk Gemser zelf, in 1963
De winter van 1963
Ik was 22 toen ik mijn akte had. Toen moest ik alsnog in militaire dienst. Dat was een hele ontdekkingsreis. Via Maastricht kwam ik in Ermelo terecht, bij de opleiding voor onderofficieren. Daar kregen we een fikse militaire opleiding, soms lagen we wel twee weken aaneengesloten in het veld. Ook in de herfst of de winter.
Toen de winter van 1963 eraan kwam, was ik daarom helemaal winterhard. Kou deed ons niks. In die winter hoorde ik ook bij de beste schaatsers van de compagnie. Als erkenning voor mijn goede schaatsen kreeg ik zelfs een keer een dag extra verlof.
Toen de Elfstedentocht werd uitgeschreven, werd er gevraagd wie er interesse had om mee te doen. Je kon je opgeven. Je moest wel aan een aantal criteria voldoen, en je kwaliteiten verwoorden. Voor mij was dat geen probleem, want ik had al wat wedstrijdjes gewonnen.
Met een klein groepje zijn we toen naar Friesland afgereisd. Ik ben eerst nog langs mijn ouders in Franeker gegaan, om wat spullen op te halen en om m’n schaatsen te slijpen. Ik reed op noren, maar nam ook nog een paar reserve, houten schaatsen mee. Die bond ik in een handdoek, diagonaal over mijn rug. Met daarin ook nog hele dunne gymnastiekschoentjes van Bata, een beroemd merk in die tijd. Die droeg ik altijd bij kortebaanwedstrijden. Er was gezegd dat het heel slecht ijs zou zijn, en dan is de kans groot dat je schaatsen stuk gegaan. Vandaar die reserve schaatsen.
Houten schaatsen zijn ook veel sterker dan noren. Het nadeel is alleen dat je lager staat, en dus eerder met je schoenen door de sneeuw gaat. En er lag veel sneeuw. Met m’n spullen meldde ik me om negen uur bij de kazerne in Leeuwarden. Daar sliepen we gewoon op het stro, in een grote hal. ’s Ochtends om half vier was er appèl voor de strobalen. We kregen twee keer 24 uur verlof en konden gaan.
Ik reed in militair tenue, we moesten op een of andere manier als soldaat herkenbaar zijn. Ik had zelf nog nooit zo’n tocht gereden, maar wist wel van andere rijders dat het vooral in het noorden heel moeilijk zou zijn.
Ik droeg zeemleer ter bescherming van mijn geslachtsdelen, voor de kniegewrichten, voor de schenen en voor de borstkas. Dat was beter dan kranten, want je transpireert toch, ondanks de kou. Kranten worden dan nat en verweken. Dat zeemleer had ik met veiligheidsspeldjes op een lange onderbroek en een lang hemd vastgezet. Daar overheen had ik een gebreide, goed nauwsluitende broek. Eén paar sokken had ik aan, want ik wist al van militaire dienst dat je ruimte in je schoenen moet hebben om de voeten niet te laten bevriezen. Je hebt lucht nodig als isolatie, en je moet je tenen een beetje kunnen bewegen. Verder droeg ik een rode bivakmuts en twee paar handschoenen. Behalve een groene trui was ik daardoor als militair eigenlijk niet meer herkenbaar.
Bij mijn studie had ik fysiologie gehad, en wist iets van voedingsleer. Lang zoveel niet als nu, maar ik wist in elk geval dat je veel koolhydraten en zetmeel nodig had. Dat zijn de brandstoffen waarmee je je spieren via de spijsvertering de arbeid laat verrichten.
Ik durf nu wel eerlijk te zeggen dat ik eigenlijk niet goed wist waaraan ik begon. Maar net als met alles in die tijd begon je gewoon. Er was geen discussie of je het zou halen of niet. haalde. Je deed het. Je haalde het. Ik was 23 jaar, barstenssterk, en had nergens last. Je kon alles. We waren vrieshard. Als anderen het konden was er geen discussie meer. Dan deed jij het ook. Maar ik wist niet hoe lang die tocht was. Ik wist niet wat 200 kilometer op het ijs was. Ik wist ook niet wat halverwege was.
Start
Een dienstmaatje van me, mijn slapie Kees, wilde absoluut samen met mij die tocht doen. Daar had ik eigenlijk helemaal niet zo veel zin in. Want als je op iemand moet wachten, raak je je ritme kwijt, en bovendien moet je je sociaal opstellen. Dan lever je tijd in, en die hadden we hard nodig.
We startten ook niet zo heel vroeg: pas om zeven uur. Het was nog donker, maar we waren zeker niet de eersten. Daarom hadden we afgesproken dat als één van ons tweeën zou vallen of achter zou blijven, de ander niet zou wachten. Ieder moest zelf zien door die tocht te komen.
We waren nog geen honderd meter op het ijs en klets! Daar lag Kees. En ik denderde door. Na honderd meter waren we elkaar dus al kwijt. En dat is toch wel mijn redding geweest. Mijn winst heb ik gehaald toen ik wind mee had, want het woei toen al redelijk hard uit het noordoosten. Op weg naar Sneek heb ik op een baan met veel sneeuw en weinig pad hollend door de sneeuwrand mensen ingehaald. Dan kon ik weer een paar meter schaatsen, en vervolgens weer hard hollen. Zo ben ik tot aan Sloten continu bezig geweest met een hardloop-inhaalwedstrijd. En de schaatsen bleven gelukkig heel.
Ik zag afgrijselijke valpartijen. Mensen die ’s ochtends vroeg met hun kop tegen een brug aanreden omdat ze al bevroren ogen hadden. Mensen met gebroken armen, benen, bekkens. Heel veel gewonden. In die zin was het een slagveld. Al direct, vanaf de eerste minuut. Dat soort zaken kende ik niet, maar mijn lijf wist daarmee om te gaan. Door mijn inhaalrace heb ik de tijd gewonnen die ik later echt nodig had om Leeuwarden te halen. Anders had ik het nooit gered.
Met de wind in de rug ben ik zo in Staveren aangekomen. Daar stapten er al heel wat in de trein terug naar Leeuwarden. Maar voor mij was er geen keus. Gewoon door naar Hindeloopen. Dat was nog binnendijks, maar na Hindeloopen moesten we door de haven het IJsselmeer op. Toen begon het pas echt.
De wind wakkerde steeds verder aan, en was pal tegen. Ook begon het te sneeuwen. Het werd echt Siberisch. Af en toe zag je in de verte een medeschaatser. Daar pakte je je aan vast in alle anonimiteit -figuurlijk dan- en dan trok je samen een stuk op. Dus kop overnemend en dan de één of de ander, in mijn geval meestal de ander, die een pauze nodig had of het tempo niet meer kon volgen. Die liet dan los, en dan ging je alleen weer verder. Op zoek naar mogelijk iemand anders voor je waar je naartoe kon rijden.
Voorbij Parrega begon de sneeuw al flink op te hopen, en de wind wakkerde verder aan tot zes à zeven, zuidoost. In Workum had ik mijn stempelkaart bekeken, en zag al zes stempels staan met Bolsward in het vizier. ‘Nou’, dacht ik, ‘dat schiet lekker op.’ Onnozel, maar je hebt ook een bewustzijnsvernauwing van jewelste, natuurlijk.
Toen riep iemand: “Zet hem op! Je bent al op de helft.” Maar ik dacht dat ik daar al ver voorbij was, en ik had ook al een slijtageslag meegemaakt, die geweldig was. Ik zakte toen ook ter plekke door het ijs. Niet letterlijk, natuurlijk, maar ik moest me wel even hervinden.
De route en de afstanden van de Elfstedentocht heb ik toen wel leren kennen. Alleen het stuk naar Harlingen en Franeker kende ik, daar kwam ik vandaan. In Harlingen stapte het hele groepje waar ik toen in reed van het ijs. Ik stond er dus weer alleen voor. Toen wist ik een man of zes bereid te vinden om door te gaan naar Franeker.
Ik gebruikte daarbij andere taal dan normaal. “Klootzak, godverdomme, waar zijn we mee bezig?” Ik sprak ze aan op hun kwaliteit als mens en als schaatser. Kijk, de selectie was al geweest. Dat wist je zelf niet bewust, maar je kwam al dezelfde soort mensen tegen. Het kan niet zo zijn dat iemand die in Harlingen staat twijfel heeft over de zin van het volbrengen van de Elfstedentocht. Hij zal het mogelijk fysiek niet meer kunnen, maar het is niet zo dat het niet in de kop zit. De wil is er wel. Dat gaf mij de mogelijkheid om met vijf, zes mensen toch weer aan de gang te gaan.
Met Annie, mijn toenmalige verloofde die nu mijn vrouw is, had ik afgesproken dat zij tussen Harlingen en Franeker langs het ijs zou staan voor een ravitaillering. Annie was een uitstekende schaatser. Langebaankampioen van Friesland in de tijd dat ook Atje Keulen-Deelstra opkwam, maar Annie was toen beter.
Bij een brug bij Wijnaldum stond Annie op me te wachten, in de luwte. Pas op het laatste moment herkende ze mij, want we zagen er allemaal al als ijsmannen uit. En ze zegt tegen me –verloofd hè, je bent nog echt verliefd op elkaar, zoals jonge mensen verliefd kunnen zijn– ze zegt tegen mij: “Ik zal je eten even halen.” Ik dacht toen dat ze het eten in het dorp ging halen, en toen kwam die verschrikkelijke ongenuanceerde kort-door-de-bocht reactie van mij: “Laat maar! Dan hoeft het niet meer.” En ik liet er nog een redelijke vloek achteraan komen ook.
Ik schaatste meteen verder, want ik moest erbij blijven, anders lukte het me niet. Later bleek dat mijn eten slechts vijf meter verderop stond. Annie hoefde zich alleen maar even om te draaien, maar dat duurde me al te lang. Ze heeft de mand toen opgepakt, en is op haar schaatsen achter ons aan gereden: met die mand in haar handen. En hoewel ze uitstekend kon schaatsen, heeft ze ons met die mand toch niet in kunnen halen. Ik heb dat natuurlijk allemaal pas later gehoord, ik wist dat toen niet.
In Franeker stapten de mannen met wie ik reed resoluut af, en wilden niet verder. Ik kwam in een koek-en-zopietent terecht en had niet het idee dat ik moest ophouden. Ik kwam daar ook een jongen tegen, met wie ik op de lagere school in de klas had gezeten: Henk Buma. Die had ik voor het laatst gezien toen we een jaar of tien waren. Die zocht ook een partner. Henk Buma en Henk Gemser besloten dus om de tocht samen uit te gaan rijden. We dronken nog vlug vlug een kop chocolademelk, en vertrokken direct.
Toen wij net vertrokken waren, is Annie diezelfde koek-en-zopietent binnengereden. Ze hoorde dat wij net vertrokken waren, en al die mannen die waren gestopt hebben toen een groot uitdeelfestijn van Annie meegemaakt. Die heeft daar voor Sint Nicolaas gespeeld, en al het eten uitgedeeld.

Henk Buma zelf, in 1963
Het barre noorden
Met Henkie Buma ben ik toen een verschrikkelijk stuk Elfstedentocht ingegaan waar we geen weet van hadden. Het gerucht ging dat ze ons van het ijs af wilden halen. Half vier waren we uit Franeker weggegaan, en om vier uur is daar inderdaad alles dichtgegooid. Er mocht toen niemand meer door. Ze wisten niet hoeveel er al door waren, want er was niets bijgehouden. Er was grote angst dat mensen zouden bevriezen. We hoorden dat in kleine dorpen, waar ze de radio aan hadden staan.
Ergens in dat barre noorden zagen we toen opeens een hoop mensen bij een brug staan. Henk Buma dacht dat het een stille controle was –die heb je namelijk ook- maar ik dacht dat ze ons daar van het ijs wilden halen. We hebben toen de hoezen om de schaatsen gedaan, en zijn achterom door het donker langs die groep gekluund. Of eigenlijk tijgerend over de weg, want ik wilde per se niet dat ze ons zouden zien.
Daarna waren er hele stukken waar je zelfs de baan nauwelijks meer kon vinden. Af en toe zagen we een carbidlamp in de verte van een koek-en-zopietent. Daar oriënteerden we ons dan op. Door zo’n lamp kwamen we ook bij een boerderij terecht. Helemaal op het land. De boer zag ons lopen over zijn erf en wilde weten wat we aan het doen waren. “We zijn met de Elfstedentocht bezig”, antwoordden we. “Oh, de vaart ligt 200 meter verderop”, zei hij. Die konden we gewoon niet meer vinden, want er was geen vaart meer. We hadden net zo goed kunnen verdwalen.
Daarna kwamen we in de buurt van Bartlehiem. Daar reed een trekker die een man had opgehaald die ook verdwaald was. Die was helemaal onderkoeld, en had overal bevriezingsverschijnselen. Hij zag er verschrikkelijk uit. Toen we in Bartlehiem die trekker weer zagen staan, zijn we daar ook even gaan pauzeren. Ze waren net bezig die man uit te kleden. Ook zijn geslachtsorganen waren bevroren. Dat mannelijke van die man werd gemasseerd, om te proberen de bloedsomloop weer op gang te brengen. En niemand vond het gek, dat dat gebeurde! Er was geen andere plaats, het gebeurde in het bijzijn van iedereen. Ja, dat was toch wel uniek.
Toen moesten we dat klereneind van Bartlehiem naar Dokkum en weer terug. Daar wisten we niks van. Sommige stukken hadden we precies wind tegen. En hele stukken waren zwart. Ook had je soms van die sneeuwduintjes: daar bleef je dan in steken.
Van de heenweg kan ik me weinig meer herinneren. Van de terugweg met wind mee des te meer, want die duinen waren toen al veel groter geworden. Dan liepen je schaatsen vast, en ging je plat op je bek. Als je eenmaal lag - en dat was dus de mazzel dat Henk Buma en Henk Gemser samen waren - wilde je blijven liggen. Er was absoluut geen behoefte meer om op te staan. Je was doodop en je was inderdaad met je grenzen bezig. Nou, dan schopte je elkaar gewoon met de punt van de schaats omhoog hoor. Er was geen enkele vorm van diplomatie meer in die discussies. Je vloekte elkaar stijf. Je vloekte elkaar op de schaatsen, en dan gingen we weer verder.
Terug in Bartlehiem werden we nog nageroepen dat we even moesten wachten. Ik was weer bang dat ze ons van het ijs wilden halen, en zei tegen Henkie: “Kom op, rijden.”
Auto
Naar Oudkerk was het echt hopeloos. Er was nauwelijks nog te schaatsen. En ook bij Oudkerk stonden weer allemaal mensen bij de brug. En toen durfden we eigenlijk Oudkerk niet in. Dus we hebben stilgestaan, gewacht. En wat we toen hebben gedaan, heb ik in mijn leven nog tegen niemand verteld. Ik ga dat nu voor het eerst vertellen.
Er liep daar een weg langs, en daar stond een man met een auto, een Volkswagen. Die bescheen met zijn koplampen en draaiende motor een stuk van de vaart: dat was heel sympathiek. Terwijl we daar stonden, vroegen we hem of hij wist wat er verderop gebeurde, maar dat wist hij niet. En nu komt het: ik heb toen gevraagd of hij ons met de auto voorbij die groep mensen kon brengen. Hij heeft ons toen door Oudkerk gereden, en ons voorbij de bebouwde kom weer op het ijs afgezet. Toen konden wij verder door naar de Groote Wielen, naar de finish.
Ik vertel dus nu voor het eerst dat ik tijdens de Elfstedentocht van 1963 een kilometer of twee niet geschaatst heb, maar achterin een auto heb gezeten, ’s nachts om een uur of half elf. Alleen maar omdat we angst hadden dat we gepakt zouden worden, en alsnog geen toestemming kregen om dat laatste stuk van acht kilometer af te maken.
Daarna wisten we echt niet meer waar de vaart was, het was allemaal dicht gesneeuwd. Toch deden we onze noren niet uit, want dan bevroren ze meteen en kreeg je ze nooit meer aan. Ik had dan wel mijn Friese schaatsen en mijn gympjes op de rug, maar wat maakte het uit? We liepen door metershoge sneeuw. Maar er kon ons niets meer gebeuren, zo voelden we dat. Ook strompelend zouden we zeker op tijd komen. We konden het licht van de Groote Wielen al lang van tevoren in de verte zien, dus we wisten waar de finish was.
Bij de finish werden we opgevangen en dat was echt geen discussie: je werd gepakt en naar de medische controle gebracht. “Maar er mankeert ons niets”, zei ik. Ik wilde ook zo snel mogelijk onze laatste stempel hebben
Het was namelijk tegen elven en voor middernacht moest je het laatste stempel hebben. Dat was in De Beurs in de stad. Je bent dan zo beperkt in je denken geworden, en zo gefixeerd op de deadline van twaalf uur, dat ik niet in staat was om te bedenken dat als je om elf uur op de Groote Wielen aankwam, dat je dan die tocht had volbracht. Of je dat laatste stempel nou vóór of na twaalf uur zou krijgen.
Die artsen wilden me totaal controleren, maar ik wist van mezelf dat ik niets mankeerde. Geen bevroren voeten en tenen, niets. “Ik wil door”, zei ik. “Hou toch op.” Maar die artsen hielden me vast. Ik had geen keuze, want ze namen me in de houdgreep. Dat deden ze bij iedereen trouwens. Je werd totaal uitgekleed in een verwarmde ruimte, en helemaal gecontroleerd. Protesteren hielp niet.
Toen we klaar waren, deden we gauw de kleren weer aan, voor zover dat nog kon. Op een draf naar de bus, en die bleef daar toen wel twintig minuten staan! Open deur, draaiende motor, en wij maar vloeken tegen die chauffeur: “Godverdomme, twaalf uur en we moeten opschieten!”
Annie
Uiteindelijk kwamen we om kwart voor twaalf in De Beurs aan. Annie was daar inmiddels ook aangekomen. Die had taal noch teken van me vernomen sinds Franeker. Op radio en tv was al gesproken over grote ongerustheid. Men wist niet meer hoeveel er nog onderweg waren, en waar ze zaten. Er waren halfbevroren rijders met tractoren uit de weilanden gehaald - wij hadden dat zelf gezien. Men had dus veel angst.
Ik stapte de bus uit, en in De Beurs stond Annie me op te wachten. Die stond daar al uren. Maar wat doe ik? Ik duw haar aan de kant! Ja, gestoord ben je. Ik duw haar aan de kant, ze valt bijna van de trap, en ik ren de trap op om maar vóór twaalf uur mijn stempeltje te halen. Pas toen dat klaar was, kreeg ik het idee dat ik haar toch wel gedag moest zeggen, en dat is toen ook gebeurd hoor.
Dat was mijn Elfstedentocht van 1963. Een kilo of vier lichter, en de volgende ochtend niet uit bed te komen. Onmogelijk! Al mijn spieren kraakten. Zo’n enorme spierkater, waardoor ik niet meer zelfstandig omhoog kon komen, zelfs niet opstaan uit mijn bed. En de dag erop moest ik me weer melden voor mijn militaire dienst. Zo is het gebeurd ook, maar wel krakend en als een oude man.
Als ik terugkijk op die dag, besef ik me dat ik me toen niet zo bewust was dat ik eigenlijk deelgenoot werd van een cultuurgoed. Dat ik in zo’n uitzonderlijk zware tocht terechtgekomen was, en die uitgereden heb, ben ik me ook pas later bewust geworden. Maar ik heb daar nooit veel uiterlijk vertoon aan gegeven, dat niet. Maar ik zal zeker niet ontkennen dat ik heel blij ben dat ik het voorrecht heb gehad om dit te doen, dat ik in de gelegenheid ben geweest om dit mee te mogen maken.
Friesland was toen ook veel uitgestrekter en veel eenzamer dan het nu is. Het zal zeker nog wel eens net zo streng vriezen, en het zal zeker nog wel eens net zo hard waaien uit het oosten, en gelijktijdig ook nog eens gaan sneeuwen. Maar je hebt niet meer de mogelijkheid om in Friesland zo door niemandsland te schaatsen. En daar zit iets heroïsch in, alhoewel je het niet teveel moet romantiseren. Want er waren ook risico’s die niet meer te overzien waren, en er was veel angst.
Het feit dat anderen spreken over 1963, en niet weten dat jij hem ook hebt gereden, en daar dan een heel verhaal over doen en je dan even glimlacht, dat is wel leuk. Daar heb ik heel veel plezier aan. In ieder verhaal dat ik hoor, kan ik me beter verplaatsen dan iemand die alleen maar luisteraar is. En dat is heel kostbaar.
Toch heb ik nooit de behoefte gehad om bij elkaar aan te schuiven, en elkaar nog eens het verhaal te doen. Het is die ene dag geweest, en dat is een absoluut hoogtepunt in je leven, maar verder klaar. Dat je voor de rest van je leven gelijksoortig bent, en soms eventjes elkaar laat weten dat je erbij geweest bent; ja, dat is wel een mooi gevoel.





geplaatst op: 3-12-2009 9:40:02u. | website
geplaatst op: 2-12-2009 23:52:52u. | website
geplaatst op: 2-12-2009 23:20:25u. | website
Dus in plaats van de film afzeiken kun je ook blij zijn met een beetje extra promotie voor jullie eigen boek......
geplaatst op: 2-12-2009 22:48:00u. | website
geplaatst op: 19-11-2009 10:48:32u. | e-mail
succes .. moge het 'echte' verhaal winnen
geplaatst op: 17-11-2009 20:45:17u. | e-mail
geplaatst op: 17-11-2009 16:38:24u. | website
geplaatst op: 17-11-2009 15:01:19u. | e-mail
geplaatst op: 14-11-2009 13:28:06u. | website
geplaatst op: 14-11-2009 13:17:44u. | e-mail
geplaatst op: 13-11-2009 16:40:42u. | website
geplaatst op: 13-11-2009 16:04:25u.