Op 11 augustus 1928 was het absolute hoogtepunt voor Nederland op de Olympische Spelen. Binnen 24 uur werden vier gouden, één zilveren en twee bronzen medailles gewonnen. Een overzicht.

Zwemmen

Op de 100 meter rugslag won Marie ‘Zus’ Braun de finale 100 meter rugslag. Ze was daarmee de eerste Nederlandse individuele sportvrouw met een olympische titel.

Twee dagen eerder had Braun al een wereldrecord gezwommen in de series en was daarmee de grote favoriet. Na het startschot barstte het Nederlandse publiek los, waaronder Ma Braun, de fanatieke moeder en coach van de zwemster. En dat is nog zachtjes uitgedrukt, want in een verslag stond: ‘Ze zweept haar dochter op, ze loeit, knielt, staat weer op, stampvoet, wordt geel, groen, paars.’

Braun tikte als eerste aan bij het keerpunt, waardoor het enthousiasme alleen maar toenam. In de laatste meters kwam de Britse King nog heel dichtbij, en bij het aantikken werd het even muisstil in het zwembad. Toen bleek dat Braun toch één vijfde seconde sneller was, brak het feest in alle hevigheid los.

Boksen

Ook feest in de bokshal, waar bokser Bep van Klaveren goud won in het vedergewicht. Hij won van de Argentijn Viktor Peralta, en is daarmee nog steeds de enige Nederlandse bokser met olympisch goud.

Goud en zilver bij de military

De derde gouden olympische medaille was voor ruiter Charles Pahud de Mortanges bij de military. In zijn hele loopbaan won hij er vier, om precies te zijn in 1924, 1928 en 1932.

Pahud won met Marcroix, één van de meest succesvolle paarden uit de olympische geschiedenis. In 1928 waren ze ongenaakbaar.

In de dressuurproef was alleen landgenoot Gerard de Kruijff beter, maar bij de enduranceproef nam Pahud de leiding over. Een foutloos springparcours voltooide de zegerit. Achter hem werd De Kruijff tweede, terwijl verdedigend olympisch kampioen Van der Voort van Zijp ondanks een matige endurancerit vierde werd.

Zo werd de vierde gouden plak van die dag gewonnen: als team bij de military. De Kruijff won ook nog individueel zilver in deze discipline.

Twee keer brons

En daarmee blijven twee bronzen medailles over van 11 augustus 1928. De eerste was voor bokser Karel Miljon in het half-zwaargewicht, die won van de Zuid-Afrikaan McCorkindale. De nederlaag van Miljon in de halve finale tegen de Duitser Pistulla was uiterst dubieus. Miljon zei zelf over het einde van de halve finale: ‘Pistulla trok zijn handschoenen uit en stapte tussen de ringtouwen. Hij ging weg voordat de uitslag bekend was. Ik bleef, zeker van de overwinning, wachten. Toen werden de puntenbriefjes verzameld: Pistulla winnaar! Ik kón het niet begrijpen, werd woedend, weigerde Pistulla, die ze weer uit de kleedkamer hadden gehaald, een hand te geven, maar enfin … het was gebeurd.’

De laatste plak die dag was voor de ruiters bij de dressuur, die als team brons wonnen. We hebben het hier dan over Jan van Reede, Pierre Versteegh en Gerard le Heux.

Allemaal op 11 augustus 1928, de meest succesvolle dag uit de Nederlandse sportgeschiedenis.