Eén van de beroemdste Nederlandse sporters aller tijden is Fanny Blankers-Koen. In 1948 won zij vier gouden medailles op de Olympische Spelen van 1948 in Londen. Stel je eens voor hoeveel ze had gewonnen als er geen oorlog was geweest en er in 1940 en 1944 ook Olympische Spelen waren geweest. Misschien had ze dan wel net zoveel gouden medailles gewonnen als Usain Bolt of Carl Lewis.

We zullen het nooit weten. Wat we wél weten is dat Fanny Blankers-Koen beter was dan de hele Nederlandse sport van die tijd. Nadat zij was gestopt, was het namelijk meteen gedaan met Nederlands succes op de Olympische Spelen. Pas zestien jaar later was er weer een Nederlander met olympisch goud: Sjoukje Dijkstra op de Winterspelen van 1964.

Zestien jaar! Dat is Hongarije nooit overkomen. Dat Pál Schmitt bijvoorbeeld goud won in 1972 en dat er pas in 1988 een opvolger kwam. Dat zou toch verschrikkelijk zijn?

Het is Nederland wél overkomen tussen 1948 en 1964. Het zijn net de jaren van de Olympische Spelen van 1956 in Melbourne, de Spelen waarom wij deze week allemaal naar Hongarije zijn gekomen.

Zou er daarom een verband bestaan tussen de Nederlandse sport en de boycot van 1956, waar Nederland ook aan meedeed?

Dat Nederland wegbleef van de Olympische Spelen van 1956 was in ieder geval een volkomen verrassing, vooral voor de sporters. Er was geen uitgebreid debat aan voorafgegaan, waar iedereen wat mocht zeggen. Integendeel, in slechts een paar dagen had het Nederlands Olympisch Comité dit besluit genomen.

Op 4 november was de inval in Hongarije, twee dagen later was er een vergadering met alle sportbonden en weer een dag later was de boycot een feit. Het IOC probeerde dit nog te voorkomen, maar tevergeefs. Zwitserland en Spanje deden ook mee, waarmee de actie in feite mislukt was. Drie kleine landen die wegbleven – nou en?

Het maakte Nederland weinig uit, want dat reageerde vooral emotioneel op de gebeurtenissen van Hongarije. Het hoofdkantoor van de communisten in het centrum van Amsterdam werd zelfs aangevallen. De politie greep niet in. Het bleef nog drie dagen onrustig in de stad.

Een groot deel van de Nederlandse bevolking trok vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog toen de Russische tanks door Hongarije reden. Hongarije was daarbij net als Nederland en de Sovjet-Unie was als nazi-Duitsland. De kleine landjes waren goed en de grote waren fout. En dus was Nederland solidair met Hongarije.

Die emoties waren er ook bij de Nederlandse sportbestuurdersvan het NOC. De sporters zelf wisten ondertussen van niets. Er zouden er ongeveer zestig naar Australië gaan. Het nationale hockeyteam volgde speciale trainingen om eindelijk eens een gouden medaille te winnen. Vier sporters zaten zelfs al in Melbourne om er te wennen aan de omstandigheden: Eef Kamerbeek, Puck van Duyne, Henk Visser en Dini Hobers.

Maar toen kwam er een telegram van het NOC. Het was 7 november. ‘Verlaat allen Olympisch Dorp. Zoek elders onderdak. Draag burgerkleding. Sorry. Sterkte.’

Jaren aan voorbereiding waren voor niets geweest. De Nederlanders mochten zelfs niet blijven als toeschouwer. Achter de schermen bood Japan nog wel aan dat de Nederlanders in het Japanse team mochten komen, maar het viertal ging teleurgesteld naar huis.

De ontvangst thuis was bijzonder onaangenaam. Van Duyne kreeg bijvoorbeeld deze brief: 'Ik en velen met mij schamen zich om jou tot de landgenoten te moeten rekenen. Op de plaats waar je hart moet zitten, rust een ijskoude steen.’

Ook in Nederland was de teleurstelling gigantisch, want de sporters hadden er alles aan gedaan om naar de Olympische Spelen te mogen gaan. Hoe ver dit ging, weet ik van Van Duyne, inmiddels overleden. In 1952 had ze ook aan de Spelen meegedaan, en wilde dat in 1956 nog één keer meemaken. Eigenlijk wilde ze zo snel mogelijk kinderen krijgen, maar dat stelde ze toch nog maar vier jaar uit. Eerst de Olympische Spelen en daarna het moederschap. Op 7 november 1956 bleek deze opoffering voor niets te zijn geweest.

De persoonlijke gevolgen voor de Nederlandse sporters waren dus groot. Wat het hoogtepunt had moeten worden, werd een enorme teleurstelling.

Voor de Nederlandse sport waren de gevolgen dramatisch. De wereld was te snel veranderd sinds 1952 en Nederland had daarom geen flauw idee meer wat topsport betekende. Dat bleek in 1960 tijdens de Olympische Spelen in Rome met slechts één zilveren en twee bronzen medailles. “We lopen 25 jaar achter op de rest van de wereld,” schreef Het Vrije Volk. “Wij beschouwen sport nog als een genoeglijk onderonsje, als een prettige vrije-tijdsbesteding. Maar die tijd is voorbij. De tik van Rome is hard aangekomen en heeft ons klaar wakker geschud.”

Acht jaar geen olympische sport is desastreus voor de topsport in een land dat vanwege een boycot wegblijft. Al helemaal in de jaren 50 toen er nog amper tv of film was, waar we het laatste sportnieuws konden volgen. Dankzij die boycot van 1956 was Nederland geen topsportland meer.

Ook bij het Nederlands Olympisch Comité zorgde de boycot voor een trauma. In 1968 waren de Olympische Spelen in Mexico, in een jaar vol geweld. In Praag reden Russische tanks, net zoals in 1956 in Boedapest. En in Mexico zelf werden honderden studenten doodgeschoten vlak voor aanvang van de Spelen. Ze protesteerden onder meer tegen de hoge kosten van het evenement terwijl er veel armoede in het land was.

Nederland zei echter niets over een boycot, het omdat niet opnieuw het enige land wilde zijn, net als in 1956. Er werd wel intern over gesproken, maar daar bleef het bij. In 1977 kreeg het NOC spijt van deze afwachtende houding en schreef hierover een intern rapport. Met als conclusie: ‘Nooit, nooit meer mogen Olympische Spelen in de toekomst een dergelijk drama ontketenen. En nooit meer mag een president van het IOC zoals bij die gelegenheid Avery Brundage dat deed, min of meer doodgemoederd stellen, of het althans zo naar buiten doen overkomen, dat “the show must go on”.’

En wat is de wereld er nou beter van geworden? De Sovjet-Unie trok zich niets van aan de boycot. Hongarije ging zelf wel naar Melbourne en won een historische gouden medaille bij het waterpolo.

Wat er in 1956 gebeurde, is eigenlijk altijd het geval als er een discussie is over een boycot van de Olympische Spelen. De sporters mogen dan de rotzooi opruimen die de rest van de wereld laat liggen.

De olympische sporters kunnen we niet verantwoordelijk houden voor de politiek in de landen van de Olympische Spelen. Die verantwoordelijkheid ligt bij het IOC, dat we daar ook op aan moeten spreken.

Ik wil daarom eindigen met het eeuwige misverstand dat we sport en politiek van elkaar moeten scheiden. Dat is niet waar, vroeger niet, nu niet en in de toekomst niet. Wat we wél van elkaar moeten scheiden is sporters en politiek.

Met andere woorden: we mogen de sportman Thomas Bach niet aanspreken op de politiek tijdens de Olympische Spelen van 1976, het jaar waarin hij goud won. We mogen IOC-voorzitter Thomas Bach wel aanspreken op de politiek tijdens de Olympische Spelen van dit moment.

Sorry, president Thomas Bach. Sterkte ermee.