Door Jurryt van de Vooren

In de avond van 4 april 1984 reed de legendarische sportverslaggever Theo Koomen tegen de auto van André Selders. De volgende dag overleed Koomen in het ziekenhuis. Sierd de Vos vertelt nu bij de NOS over zijn herinneringen. In 2004 sprak ik met Selders over dit ongeluk.

“Ik ging laat naar mijn vriendinnetje in Hoorn. Ergens tussen elf en twaalf. Ik was op de provinciale weg Alkmaar-Hoorn. Koomen kwam uit de richting Hoorn en wilde linksaf. Ik reed in een Audi 100 en hij in een Passaat. Hij heeft mij niet gezien of onvoldoende of verkeerd ingeschat, en gooide in één keer de auto naar links. Mijn snelheid was zo’n negentig kilometer per uur. Koomen reed langzamer, want hij zal ongetwijfeld hebben afgeremd. Ik wilde rechtdoor en heb nog op het laatste moment in een reflexbeweging het stuur omgegooid. Dat was wel mijn redding, want hij knalde er vol in. Mijn veiligheidsriem was ingescheurd, zo hard was de klap.

Mijn rechtervoorkant zat helemaal in elkaar, de motor was naar binnen gekomen. Ik hoor de radiator nog sissen. Zijn auto was iets kleiner en als een harmonica in elkaar gegaan. Politie erbij, uiteindelijk ook een ambulance. Ik kan me vaag op de achtergrond de sirenes herinneren. Ik was tien minuten bij bewustzijn om in een soort shockreflex naam, adres en telefoonnummer in één keer uit te geven. Toen viel ik weg en kwam ik bij op de Intensive Care. Daar heb ik 48 uur gelegen. Daarna een aantal dagen op zaal gelegen en na twee weken mocht ik naar huis.

Ik had glas in mijn gezicht en een gebroken rib, maar geen inwendige verwondingen. Ik wist dat de andere automobilist dood was, maar ik wist in het begin niet dat het Theo Koomen was. Dat heeft mijn zusje, zelf verpleegster, me na twee dagen verteld. Ik heb dat toen half bij bewustzijn voor kennisgeving aangenomen. Wat precies zijn doodsoorzaak is geweest weet ik niet. Of het een verbrijzelde wervelkolom was, of hersenletsel, geen flauw idee.

Door het ongeluk ben ik er enige tijd uit geweest. Mijn opleiding moest ik daarom even staken. Gelukkig kon ik meteen daarna naar Duitsland, weg hier. Gedurende de eerste maanden was het lastig autorijden, want je schrikt van alles wat op je afkomt. Ik ben vaak langs de plek van de crash gekomen. Als ik die passeerde, dacht ik altijd iets van: ‘Godverdomme! Ik ben er een half jaar uit geweest. Klootzak, had nou beter opgelet.’ Maar niet volledig haatdragend, dat absoluut niet. Als ik er nou nog eens voorbij rijd, komt het weer naar boven. Niet zwetend het kruispunt over, dat is het niet, maar wel van: ‘O ja, hier was het.’

Ik heb nog twee jaar pijn gehad aan mijn linkerpols door die reflex aan het stuur. Nu is het allemaal weg. Wat wél is gebleven: als er op provinciale wegen een auto tegemoet komt, die linksaf gaat, heb ik een reflex. Dan rem ik automatisch en wijk ik naar rechts uit. Dat gaat nooit meer over. Een vriendje van me is neuroloog en die zei dat ik dat zal meenemen mijn graf in. En ik wil nooit meer in een kleine auto rijden, omdat die Audi me toen heeft gered. Ik heb na het ongeluk foto’s laten maken van mijn oude auto en daarna naar de sloop gebracht.

Behalve lichamelijk en psychisch herstel was er de juridische afhandeling. De aansprakelijkheid, welke verzekering draait er voor op. Mijn vader zat meteen na het ongeluk in de telefoon. Hij was toen, bij leven, korpschef bij de Rijkspolitie. Beroepsmatig wilde hij het naadje van de kous weten. "Wat is hier aan de hand? Waar is de schuld?” Ook mij hield hij tegen het licht. “Heb jij niets uitgehaald, jongen?” Een vriendje van hem was Officier van Justitie en zodoende hebben die twee elkaar meteen gesproken. “Als dit bij jouw parket komt, weet wel, dat is mijn zoon. En ik wil wel even weten over het hoe en wat.” Het waren twee echte speurjassen.

Mijn vader keek alleen naar de juridische kant van de zaak. Wat er precies in het proces-verbaal stond, heeft hij me verteld, maar ik heb het zelf nooit gelezen. Volgens het proces-verbaal was Koomen vermoeid én onder invloed van alcohol. Die combinatie is hem waarschijnlijk fataal geworden. Hoe de balans daarin was, weet ik niet. Of hij vooral vermoeid was of wat hij had gedronken, dat weet ik allemaal niet. Ik geloof niet dat hij straalbezopen was. Het kan maar één jenevertje zijn geweest, maar er was wel alcohol in het spel. Ga dus nou niet denken dat Koomen straalbezopen achter het stuur zat, want dat was in geen geval zo.

Mijn vader heeft me verder verteld dat de schuld bij de andere partij lag. Die moesten mij ook de schade aan de auto betalen, de immateriële schade en derving van inkomsten door het later in dienst treden dan oorspronkelijk de bedoeling was. Dat is allemaal keurig netjes afgehandeld onder het regime van Akte van Dading, oftewel de Finale Kwijting.

Mevrouw Koomen heeft één keer contact met me gezocht, maar daar had ik geen zin in. Mijn zusjes waren het hier niet mee eens, maar ik had er geen behoefte aan. Ik heb haar nog een briefje geschreven ergens in september. Daarin schreef ik als laatste dat ik verder geen prijs stelde op verder contact. En ik geloof dat zij toen nog gereageerd heeft dat ze het begrijpelijk vond. Daarna hebben we elkaar nooit meer geschreven of gesproken.

Alhoewel ik geen trauma heb overgehouden aan de crash, is vier april wel een dag die is vastgeschroefd. Als het zover is komen de beelden weer naar boven. Wat ik dan doe, is luisteren en kijken naar programma’s over Koomen. Tsja, het is tegenstrijdig. Aan de ene kant wil je van dat beeld af, dat is history. Maar toch wil ik weten hoe de berichtgeving is. Want vooral tussen 1984 en 1988 heb ik me geërgerd aan de artikelen over het ongeluk. Ze waren vaak te eenzijdig. Anderzijds dacht ik: ‘André, als je dat zo vervelend vind, moet je maar in de pen klimmen, want ze kunnen niet ruiken dat je er zo over denkt.’ Nu heb ik dat mechanisme dus eens gebroken door een keer mijn verhaal te vertellen.”