Op 25 maart 1896 begonnen in Athene de eerste moderne Olympische Spelen. Bij ons was het toen trouwens 6 april, omdat de Grieken nog de oude kalender gebruikten.

Nederland liet die Spelen aan zich voorbij gaan. Er waren wel pogingen gewaagd om er sporters heen te sturen, maar uiteindelijk zijn die allemaal mislukt. Voor de thuisblijvers werden er in Amsterdam gelukkig ook Olympische Spelen gehouden, want dat scheelde toch weer een paar duizend kilometer reizen. Deze vonden plaats op 5 april 1896, Eerste Paasdag.

Een eerste aankondiging hiervan stond op 19 februari 1896 in het Rotterdamsch Nieuwsblad. ‘In het circusgebouw van de maatschappij Arena te Amsterdam, zullen op eersten Paaschdag internationale Olympische spelen plaats hebben, onder leiding van de Amsterdamsche Athletenclub Hollandia. Alleen amateurs zullen kunnen deelnemen aan het concours, dat gehouden zal worden van 10 tot 4 uur en des avonds van 8 tot 12 uur.’ Die Arena zat trouwens aan de Ruysdaelkade.

Tegenwoordig moet je het niet in je hoofd halen om zelf eens de Olympische Spelen te organiseren, want dat levert vooral veel advocaten op, die dwingend wijzen op het misbruik van het merkrecht – en wel op heterdaad. Eind negentiende eeuw kon iedereen dat echter doen, want in die tijd wist niemand dat de Olympische Spelen zouden uitgroeien tot iets massaals.

Olympisch ringsteken

Op zo’n onschuldige manier werden op 15 april 1887 al eens zogenaamde olympische wedstrijden gehouden in Amsterdam, als onderdeel van een feestweek met volks- en kinderspelen. Het ging in dit geval om mast- en touwklimmen, boegsprietlopen, hardlopen, steenwerpen, zaklopen, tonkruien, ringsteken en hoogspringen. Geen jurist die daar toen boos over werd, al was het maar omdat het zeven jaar voor de oprichting van het IOC was.

De Olympische Spelen van 1896 in Amsterdam waren wel iets serieuzer en werden bewust in de schaduw geplaatst van het grote evenement in Athene. In de wedstrijdverslagen van verschillende kranten werd in ieder geval een direct verband gelegd met Athene, en nog een ‘athletische wedstrijd te Keulen’ diezelfde dag. ‘De athletische lichaamsoefening schijnt meer in eere te worden hersteld,’ concludeerde het Algemeen Handelsblad.

Volgens diezelfde krant werden er door Hollandia daarom serieuze prijzen ter beschikking gesteld: ‘De groote gouden medaille van de Vereeniging tot bevordering van het Vreemdelingen-verkeer; en de groote zilveren-draagmedaille van de Amsterdamsche Sportclub.’

Onder de juryleden zaten toonaangevende sportorganisatoren uit die tijd, zoals C.A.A. Dudok de Wit en zijn onafscheidelijke compagnon A.J. Abspoel. Aan deze sportpioniers kon je eind negentiende eeuw wel een serieuze wedstrijd toevertrouwen. Het was alleen jammer dat er ’s middags geen publiek mocht komen kijken vanwege de toen heersende Zondagsrust. Het scheelde een hoop inkomsten, want pas vanaf acht uur ’s avonds was die wet niet meer van toepassing.

Het circusgebouw Arena waar in 1896 de Olympische Spelen waren

Het circusgebouw Arena

Markies uit Milaan

In tijdschrift De Athleet van 2 april 1896 stond dat 115 mededingers zich hadden gemeld voor deze Olympische Spelen te Amsterdam. Er was een klein internationaal gezelschap bij met sporters uit Keulen (terwijl in die stad die dag ook een wedstrijd was!), München en markies Luigi Monticelli Obizzi uit Milaan, ‘een uitstekend geoefend gewichtenwerker’. Hoe betrouwbaar die gegevens zijn, is alleen oncontroleerbaar. Iedereen kon zich wel markies noemen, wat Italiaans-achtige klanken uitstoten en rollen met zijn spierballen om indruk te maken op zijn omgeving.

Toch was het sportevenement in Amsterdam volgens de aanwezige journalisten een succes, op dat gezeur met die Zondagswet na. Zo wierpen de Olympische Spelen van 1896 hun eerste schaduw over het Nederlandse landschap – 32 jaar voordat die daadwerkelijk in Amsterdam zouden worden gehouden.