Tom Dumoulin wordt woensdagavond gehuldigd in Maastricht als winnaar van de Giro d'Italia. De Haagse wielrenner Piet Moeskops maakte in de jaren twintig van de vorige eeuw vele huldigingen me, als alleenheerser in zijn sport. In zijn prijzenkast stonden vijf wereldtitels en alle andere grote internationale prijzen. Moeskops onderscheidde zich van zijn tegenstanders door zich uiterst nauwgezet voor te bereiden. Niet alleen door het oppompen van zijn bandjes en door ervoor te zorgen dat zijn conditie in orde was, maar vooral door zijn volgende tegenstander uitvoerig te bestuderen. Moeskops kon een wedstrijd lezen als niemand anders.

Une entrée triomphale

In 1921 won Moeskops zijn eerste wereldtitel, waarna de baanrenner uitbundig werd gehuldigd in Den Haag. Sportjournalist Joris van den Bergh - de grote kenner van Moeskops - schreef: ‘Er werd een stoet van auto's geformeerd en voorafgegaan door een muziekkorps en omringd door bereden politie, werd hij door Den Haag gereden, une entrée triomphale.’

Dagblad Het Vaderland meldde op 9 augustus 1921 dat er een commissie was gevormd, met de burgemeester als erevoorzitter. Dat zorgde meteen voor commentaar, aldus dezelfde krant een dag later. Een zekere M. Van Vliet sr. schreef namelijk: ‘Deze week heb ik mij bijna geschaamd dat ik Hagenaar was toen ik las dat onze burgervader eerevoorzitter was van een huldigingscomité voor Moeskops. Welk nut zit er immers in zulke uitwassen van de zoo heilzame wielersport? Het tegendeel toch juist er van. Hoogachtend.’

Deze zure opmerking hield de wielerliefhebbers niet thuis tijdens de huldiging – integendeel. Het Vaderland: ‘Reeds lang voor het uur van aankomst was de toeloop van belangstellenden zo groot dat geen perronkaarten meer werden afgegeven en buiten kon in de enorme menschenmassa bereden politie slechts met moeite een geregeld verkeer gaande houden.’

De politieafzetting werd doorbroken toen Moeskops uit de trein stapte. In een grote optocht ging hij naar Hollandais, waar een stoet sprekers hem opwachtte. Als eerste mocht gemeenteraadslid W.O.A. Koster het woord voeren, die de waarde duidde van de prestatie van Moeskops. Het waren ‘sportverrichtingen die niet, zooals men in intelectueele kringen nog te veel denkt, slechts zijn te beschouwen als uitingen van brute kracht. Zonder dat geestelijke eigenschappen de lichaamskracht steunen zijn dergelijke resultaten niet te bereiken.’

De ene spreker na de andere liet zich lovend uit. ‘Het was een inderdaad aardige huldiging,’ vond Het Vaderland.

Een achtenswaardig beroep

In 1922 won Moeskops opnieuw de wereldtitel en zo werd wederom een indrukwekkend comité gevormd, met de burgemeester als erevoorzitter. Bij aankomst van de sporter stonden er duizenden mensen langs de weg, die door de politie met moeite in bedwang werden gehouden. Het Vaderland was er ook weer bij: ‘Overal langs den weg stond het zwart van de menschen. Langs Spui en Buitenhof reed de stoet naar de Groenmarkt. Rond het Stadhuis stond een zee van menschen, die een donderend hoera aanhieven toen Piet in zicht kwam. Fotografen en kino-operateurs belegerden hem.’

Zoals het toen blijkbaar hoorde bij een huldiging stond opnieuw een stoet sprekers met kransen klaar voor het nodige eerbetoon. Aan het einde hiervan werd Moeskops naar het raam van het Stadhuis geroepen. ‘Als een koning heeft hij daar gezwaaid en gelachen en de belangstellenden beneden lachten.’

Ook de conducteur van tramlijn 7 had het allemaal gezien en zei: “Hij rijdt hard en krijgt bloemen, maar als ik het doe zit er straf op.” Zijn passagiers lachten.

Parasiet

Het werd routine toen Den Haag zich in 1923 voor de derde opeenvolgende keer opmaakte voor een huldiging. Het comité werd bijeengeroepen, de burgemeester werd weer erevoorzitter en de toespraken van de voorgaande jaren werden herschreven.

Inmiddels groeide de kritiek snel op deze heldenverering. Een boze brievenschrijver schreef op 30 augustus 1923 in Het Vaderland: ‘Wat is er eigenlijk voor een verdienste in niets anders doen dan voor den kost hard op een fiets te rijden? Ik heb tot dusver steeds gemeend dat er geen grooter parasieten in de maatschappij bestonden dan dit soort menschen.’

De krant was het er wel mee eens: ‘Waarom zou iemand, die er zijn beroep van maakt op een wielerbaan te rijden of voetbal te spelen, niet even goed mogen zijn als de kellner, die op het voetbalveld of in de wielerbaan zijn ververschingen ronddient of de muzikant, die er in het orkest speelt? Beide toch ook menschen van een achtenswaardig beroep.’

Met name het intellectuele deel van de natie keek vol afgunst toe hoe de wielerheld keer op keer op de schouders werd getild en in euforische triomf door het Haagse werd gesleept. Waarom wel die uitbundigheid voor sporters en niet voor wetenschappers? ‘Men juichte een hardfietser toe, maar de Nederlandse geleerden moesten het zonder bijval stellen.’

Van den Bergh kreeg er genoeg van: ‘We hebben kennis genomen van tal van spottende, spijtige en sarcastische opmerkingen over huldiging, welke succesvolle sportsmen is ten deel gevallen.’ Het verwijt dat sport alleen maar voor domme mensen zou zijn, wierp hij verre van zich, want als sportjournalist ging hij ook naar lezingen over de relativiteitstheorie van Albert Einstein. ‘Welnu,’ vervolgde hij, ‘wij verklaren met de hand op het hart, dat, wanneer het publiek, de menigte, Einstein zou gaan huldigen, zulks een weerzinwekkende aanstellerij zou zijn.’

Want, zo redeneerde hij: ‘Men huldigt niet, waar men niet bij kan en dat is maar goed ook. Verrichtingen nu als die van Moeskops spreken tot de menigte, en voor een huldiging van deze, op zijn gebied, zeer bijzondere man, bestaat o.i. niet alleen alle aanleiding, maar zulk een huldiging heeft ook een gezonde aard. Als wij Moeskops toejuichen, juichen wij mede toe, hetgeen wij onze kinderen toe bidden: een kerngezond, athletisch lichaam, een sterk zenuwgestel en een grote mate van energie.’

Daarom: leve Tom Dumoulin, leve zijn kerngezonde en atletische lichaam, leve zijn sterke zenuwgestel en leve zijn grote mate van energie!