Op 13 mei 1984 speelde Johan Cruijff met Feyenoord zijn laatste voetbalwedstrijd in de Nederlandse competitie. In deze wedstrijd tegen PEC Zwolle scoorde hij zijn 400e en laatste competitiegoal.

Een jaar eerder had hij de voetbalwereld op zijn kop gezet door zijn transfer naar Feyenoord. Het bracht de Rotterdamse club een kwart eeuw geleden zowel de landstitel – voor de eerste keer in tien jaar – als de beker – de eerste dubbel in vijftien jaar. Als vanzelfsprekend hoopten de Rotterdammers dat Cruijff er nog een seizoen aan vast zou plakken, waarop de voetballer tot op het laatst toe geen antwoord gaf.

Twee dagen voor de slotwedstrijd van het seizoen tegen PEC Zwolle gaf de Amsterdammer eindelijk duidelijkheid met de mededeling dat hij ermee ophield. “Het viel me rauw op het dak”, zei Feyenoord-trainer Thijs Libregts. “We staan er toch van te kijken”, voegde aanvoerder Ben Wijnstekers hieraan toe.

Cruijffs verklaring was even simpel als Cruijffiaans: “Als ze je zo graag willen houden, betekent het dat je belangrijk bent. En als je belangrijk bent, moet je altijd aanwezig zijn. Dan kun je niet zeggen: vandaag wel, morgen niet. In mijn visie kun je niet voetballen op een paar momenten, maar moet je er voortdurend zijn. Dat is hard werken, dat kost kracht en die ontbreekt me.”

In zijn laatste jaar had hij 850.000 gulden verdiend, maar dat weerhield hem niet ermee op te houden. Feyenoord vroeg Cruijff daarop of hij een bestuurlijke functie in de Kuip wilde, maar daar ging hij niet op in.

Eind mei behaalde Feyenoord met Cruijff nog de finale van een international toernooi in Djakarta, die met 3-1 werd gewonnen van Queens Park Rangers. Cruijff deed alleen de eerste helft mee en nam daarmee als speler afscheid van het voetbal.

Andere Tijden Sport over het jaar van Cruijff in Rotterdam