Voor de doorbraak van hockey in Nederland waren maar tien dagen nodig. Het begon op 17 mei 1928 met de opening van het olympische hockeytoernooi in Amsterdam, het eerste evenement in het Olympisch Stadion Amsterdam. Op die dag gingen de deuren open van het Olympisch Stadion voor de hockeywedstrijd Nederland – Frankrijk. Dagblad Het Centrum schreef: 'Even na drie uur komen de Fransche en Hollandsche ploegen het veld op. Zij zijn de eersten, die het Olympisch Stadion betreden en worden met enthousiast gejuich ontvangen. De eerste wedstrijd der IXe Olympiade is begonnen!'

De Telegraaf volgde een dag later: ‘Een voor hockey-wedstrijden ongekend aantal toeschouwers – naar schatting 4.000 – was voor de openingswedstrijd naar het Olympisch Stadion getogen.’ Dat het voor die tijd een ongekend hoog aantal bezoekers was, kwam omdat het Nederlandse hockey een soort van sportieve sekte was. Dat was vooral de schuld van de Nederlandse hockeyers zelf, omdat die tot 1925 met eigen regels speelden, die niet overeenkwamen met de internationale spelregels. Zodoende werd er sportief maar wat aangerommeld. Als er vijftig mensen kwamen kijken, was het druk.

Voordat ons land overstapte op de internationale spelregels moest er eerst een langdurige loopgravenoorlog over de spelregels worden beëindigd – in de nationale hockeygeschiedenis bekend als ‘De Lijdensweg’. Een richtingenstrijd tussen progressieve spelers uit Hilversum en Amsterdam tegen het conservatieve Den Haag verlamde elke ontwikkeling. De eerste groep streed voor de internationale regels, de zogenaamde Engelsche regels; de Hagenezen voor de Nederlandse regels. De Hagenezen werden daarbij aangevoerd door Gerard Scheurleer, want mede op zijn initiatief werd in ons land niet met de witte hockeybal gespeeld, maar met een zachte, oranje bal, ofwel de Scheurleer-bal.

Zoals de uitvinder zelf hierover zei: “Toen het hockeyspel voor het eerst hier gespeeld werd, begonnen wij met een cricketbal, en dien te gevaarlijk vindend, zijn wij tot den tegenwoordigen bal overgegaan.” Daarbij bleef het niet, want er waren meer typisch Nederlandse regels, zoals de afwezigheid van een slagcirkel en gemengde teams van mannen en vrouwen. De hockeystick had ook nog eens twee platte kanten. De Nederlanders konden daarom nooit een internationale wedstrijd spelen, omdat niemand anders die regels snapte. En het is toch wel een basisvoorwaarde voor een wedstrijd dat beide partijen volgens dezelfde regels spelen.

In de jaren van de Nederlandse spelregels was het spelniveau hier van dramatisch niveau – tot enorme frustratie van de hockeyers uit Amsterdam en Hilversum. Die wilden zich aansluiten bij de internationale regels, maar kregen geen poot aan de grond. De nationale hockeybond, voluit de Nederlandsche Hockey en Bandy Bond, ondernam geen moeite iets te veranderen.

Zo raakte de sport begin jaren 20 in een grote crisis terecht, wat dagblad Het Vaderland op 9 mei 1922 besprak: ‘De balans opmakende van het seizoen 1921-1922, komt men tot minder gunstige resultaten dan in vroegere jaren; de door de leiders, ook in het verleden, gevoerde politiek, is daaraan niet vreemd. Stelselmatig onthield men zag zich van alles, wat maar eenigszins naar publiciteit of propaganda, hetzij in de breedte, hetzij in de diepte, zweemde. Men bleef opereeren op de binnenlijnen en maakte van de Nederlandsche Hockey en Bandy Bond een soort kaste, waarin alleen verenigingen van een bepaalde standing werden opgenomen.’

Anders gezegd: de Hockeybond was een sekte.

Dat ging zo ver dat Nederland zich niet kon aansluiten bij de Internationale Hockeyfederatie. Zelfs deelname aan de Olympische Spelen van 1920 ging niet door, omdat de daar gehanteerde regels niet werden beheerst door de Nederlanders. De Nieuwe Rotterdamsche Courant omschreef het probleem treffend op 8 november 1913: ‘Men speelt hier een soort hockey van eigen maaksel.’

De strijd om de hockeyregels werd bitterder en harder totdat duidelijk werd dat Nederland de Olympische Spelen van 1928 zou organiseren. Als er niets zou veranderen, hadden de Nederlandse hockeyers tenslotte niet eens kunnen meedoen aan de eigen Spelen vanwege die afwijkende regels. Dat gaf de progressieve hockeyers voldoende invloed om in 1925 en 1926 fundamentele veranderingen door te voeren, waarmee een einde kwam aan de lijdensweg. Vooral de Amsterdamse hockeyinternational Rein de Waal zorgde voor deze sportieve revolutie.

En zo speelde het nationale hockeyteam in 1928 mee met de Spelen in Amsterdam. In een periode van slechts toen dagen bevrijdde Nederland zich uit het internationale isolement en haalde het zelfs de olympische hockeyfinale tegen Brits-Indië. Alhoewel die kansloos werd verloren, keken er in het Olympisch Stadion zo’n 35.000 mensen naar deze wedstrijd!

Een krant als Het Vaderland keek verbaasd toe hoe die revolutie zich onder ieders ogen voltrok. Op 26 mei 1928, toen het Olympisch toernooi in volle gang was, schreef de krant: 'De belangstelling bij de hockeywedstrijden was grooter dan men verwacht had. Zóó groot zelfs dat de penningmeester van het N.O.C. reeds na drie dagen met een verheugd gelaat kon constateeren, dat er toen al meer menschen waren geweest, dan men voor het geheele hockeytoernooi had verwacht.'

De Telegraaf verwoordde de doorbraak van het hockey nog mooier: ‘Verleden week wisten wij nog niet of het met zes of acht kaarten gespeeld werd. En of de joker erin bleef of niet. Vandaag is het Stadion vol.’