In Rotterdam spelen Nederland en Luxemburg vandaag een WK-kwalificatiewedstrijd. Op 12 mei 1940 stond Luxemburg – Nederland op het programma, maar twee dagen daarvoor waren beide landen binnengevallen door de Duitsers. Door die omstandigheden ging de interland daarom niet door, alhoewel die in alle chaos nooit officieel is afgelast. De andere interlands met Nederland die niet doorgingen staan hier.

Max Adriani Engels vertrok al op 9 mei als sportjournalist naar Luxemburg, maar kwam pas op 12 juni terug in Nederland. Waar hij slechts de interland Luxemburg – Nederland wilde verslaan, bleef hij meer dan een maand van huis, omdat hij onderweg werd opgepakt door een Duitse soldaat.

Het was niet de eerste keer dat Adriani Engels tijdens zijn werk als sportjournalist in aanraking kwam met oorlogsgeweld, zo schreef hij op 17 juni 1940 in De Revue der Sporten: ‘Bij het uitbreken van den wereldoorlog op 3 September j.l. bevonden we ons namelijk in Nice, nadat onze reportage van de wereldkampioenschappen wielrennen te Milaan halverwege was afgebroken bij gebrek aan wedstrijden.’

Het viel in het niets bij wat Adriani Engels tussen in mei en juni 1940 overkwam, vanaf het moment dat hij op donderdag 9 mei met de trein vanuit Amsterdam naar Brussel was gereisd. Aangekomen in de Belgische hoofdstad stapte hij over op de trein naar Luxemburg, naar later bleek de laatste trein vóór de Duitse inval.

Nog maar net aangekomen begon de oorlog, zowel in Luxemburg als Nederland. De wedstrijd werd afgelast, waarna Adriani Engels zelf maar moest verzinnen hoe hij weer thuis kwam. De treinen reden in ieder geval niet meer. ‘Met nog twee andere in Luxemburg gestrande Nederlanders besloten we daarom de terugreis naar het vaderland te voet te ondernemen teneinde niet als een Hollandsche rat in de Luxemburgsche val te zitten, indien na verloop van tijd ons geld op zou raken. Gedrieën hebben we toen een „vierdaagsche" gekuierd die zwaarder was dan de Nijmeegsche, niet wat de door ons geloopen afstanden van 30 tot 50 K.M. per dag betrof, maar doordat de verzorging onderweg niet zoo goed was als in Nijmegen.’

Er waren onderweg geen hotels, geen plekken om uit te rusten. Dat gebeurde daarom in vrachtauto's met geëvacueerde burgers uit verschillende gebombardeerde plaatsen. ‘Ook het overnachten in boerenschuren en hooibergen bij gebrek aan hotels in het dunbevolkte Noordelijk deel van Luxemburg kon een vergelijking met de Nijmeegsche kazerneslaapzalen niet doorstaan,’ aldus de sportjournalist, die stug doorliep door het oorlogsgebied, ‘dwars door Luxemburg, steeds maar in Noordelijke richting, dwars door de Belgische Ardennen, constant Noordelijk aanhoudend, en dwars door de gebieden van Eupen en Malmédy.’

Vlak voor de Nederlandse grens ging het alsnog mis: ‘We werden aangehouden door een Duitsch luitenant. Dat was het droevig einde van onze pelgrimstocht: opgebracht door een soldaat, wiens geladen geweer constant op ons gericht bleef in overeenstemming met zijn woorden: „Jullie loopen vóór me uit, bij elke kruising zeg ik links of rechts".’

Eindpunt van de dag was een gevangenis in Aken, vanwaar Adriani Engels weer werd vervoerd naar Neubrandenburg, zo’n 130 kilometer voorbij Berlijn, na een treinreis van 21 uur in gesloten goederenwagens langs de Noordzeekust, de Deense grens en de Oostzeekust.

‘Kranten waren er niet,’ schreef Adriani Engels later in een terugblik op dit kamp, ‘geen Duitsche en heelemaal geen Hollandsche; vandaar de vele oncontroleerbare geruchten. Radio was er in sommige kampen alleen gedurende de nieuwsberichtendienst; bij de eerste noot muziek werd de radiokraan onverbiddelijk afgedraaid.’ Er werd veel gevoetbald en daar deed Adriani Engels dan ook aan mee.

Samen met duizenden krijgsgevangen uit heel Europa zat hij daar vast tot hij op 11 juni opnieuw op transport werd gesteld. ‘Die terugreis was een ware zegetocht; er waren thans banken geplaatst in de goederenwagens voor vijftig man, er was geen bewaking met geladen geweren meer, de wagondeuren bleven open tijdens het dagparcours van de 21 uren lange terugtocht via Lübeck, Hamburg en Bremen naar Enschede en dat leidde tot 'n massale vergissing van de Hamburgsche burgerbevolking, die in de avondschemer de 36 goederenwagens met zingende „Feldgrauen" waarschijnlijk aanzag voor Duitsche soldaten en hun ovaties na ovaties bracht, zwaaiend met vlaggen, gordijnen en kleedingstukken en wat verder in de woningen voor het grijpen lag toen de Hollandsche trein langzaam Hamburg binnenstoomde. Hollandsche en Duitsche uniformen lijken immers in het halfdonker verdacht op elkaar.

Het mooiste moment echter beleefden we toen 's morgens om 9.57, kort na het verlaten van het station Gronau, de Hollandsche grenspalen gepasseerd werden en de heele trein met 1797 krijgsgevangen Nederlandsche soldaten uitbarstte in een jubelend meegezongen „Ik houd van Holland" bij het binnenrijden van de vaderlandsche bodem. In dezelfde jubelstemming werd enkele minuten later de stad Enschede bereikt, waar ons een verbluffend hartelijk welkom bereid werd met koppen soep, krentenbroodjes en — niet in het minst — warme baden om ons te ontdoen van al het stof dat een maand krijgsgevangenschap in steeds maar dezelfde kleeren met zich mee brengt.'

Na meer dan een maand was de sportjournalist eindelijk weer thuis, maar dan wel omgeschoold tot oorlogscorrespondent.

Max Adriani Engels in Enschede na zijn thuiskomst in 1940