Een hardnekkig misverstand is dat sportief succes automatisch leidt tot ledengroei van de betreffende bond. Per geval krijgt dit een nieuwe naam, zoals het Ard & Keessie-effect vroeger of het Dafne-effect nu. Op nationaal niveau is dat Dafne Schippers in ieder geval niet gelukt, want op 31 december 2015 had de Atletiekunie 140.271 leden en op 31 december 2016 nog maar 139.654. Onder jongeren is er overigens wél een groei waargenomen – in Amsterdam zelfs bovengemiddeld veel - maar dat komt ook door gerichte sportstimuleringsprojecten.

In honderd jaar zijn er maar vier gevallen in de Nederlandse sport bekend dat dit een sport wél populairder werd na een groot succes: het darts rond 2000, het judo van de jaren 60, de schaaksport in de jaren dertig en hockey tijdens de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam. Het zijn de beroemde uitzonderingen op de regel.

Hockey was onbekend bij het grote publiek voordat de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam begonnen. Dat kwam vooral door de eigenaardige Nederlandse spelregels, waarbij er zonder slagcirkel werd gespeeld. Verder bestonden er mixed teams van mannen en vrouwen, net als bij het korfbal. En dan was er nog het materiaal: hockeysticks met twee platte kanten en een zachte oranje bal, bekend als de sinaasappel of de Scheurleer-bal.

Bij de oprichting van de Hockeybond in 1898 was er nog niets aan de hand, want in die tijd golden hier nog de internationale regels. Tien jaar later werd het wat ingewikkelder met zowel Nederlandse als internationale regels, waardoor er twéé varianten naast elkaar bestonden. In 1913 werd de oranje bal verplicht gesteld en was de strafcirkel afgeschaft. Geen internationale regels meer op Nederlandse hockeyvelden. Het gevolg was dat het Nederlandse hockey in een internationaal isolement terecht kwam. Voor de Olympische Spelen van 1920 in Antwerpen sloeg de Hockeybond zelfs de uitnodiging af omdat we de spelregels voor dit evenement niet meer beheersten.

In aanloop naar de Spelen van 1928 groeide het verzet tegen dit isolement, want onder die omstandigheden kon Nederland niet eens meedoen aan het eigen olympische hockeytoernooi. De Hockeybond experimenteerde op 14 april 1925 in het Amsterdamse Stadion met de internationale regels in een wedstrijd tussen Amsterdam en Nottingham. ‘Het Bondsbestuur is door het vertoonde internationale spel in zijn overtuiging gesterkt, dat deze speelwijze het hockeyspel tot veel hooger plan verheft en ongetwijfeld den weder-opbloei onzer sport zal bevorderen. Het Bondsbestuur wenscht dan ook de beoefening van het internationale spel voortgang te doen vinden.’

Nederland kon eindelijk aan internationale hockeytoernooien meedoen, en dus ook aan de Spelen in Amsterdam. De sportieve revolutie die daarop volgde is uniek, want vanuit een internationaal isolement stond ons land binnen drie jaar in een olympische hockeyfinale. Dat het ongenaakbare Brits-Indië die met gemak won, was bijzaak. Veel belangrijker was dat die finale door ongeveer 40.000 mensen werd bekeken - volgens De Haagsche Courant de best bezochte hockeywedstrijd ter wereld tot dan toe! In de weken erna doken in Amsterdam-Zuid opeens allemaal jonge hockeyspelers op in het straatbeeld.

Laten we dit het 1928-effect noemen.

Vanwege het EK hockey in Amsterdam heb ik een boek gemaakt over 125 jaar hockey in Amsterdam, in samenwerking met het Stadsarchief en de gemeente Amsterdam. Je kan het hier gratis downloaden.