Vrouwenvoetbal nu opeens populair? Dat was het al in de jaren dertig, zo blijkt uit onderzoek van historica en profvoetbalster Tessel Middag. Bobo’s en journalisten vonden het maar niets: ‘Men kan houden van gerookte paling en men kan houden van chocoladepudding, beide in hun soort voortreffelijk maar in combinatie walgelijk. Zoo is ’t ook met damesvoetbal.’

In 1924 werd de eerste vrouwenvoetbalclub in Nederland opgericht: de Oostzaanse Vrouwenvoetbal Vereeniging (OVV), zo schrijft Middag in haar vorig jaar geschreven bachelorsciptie ‘Voetbalschoenen op heur verlanglijstje. De geschiedenis van het vrouwenvoetbal in Nederland van 1880 tot 1939.’ Het is volgens Middag aannemelijk dat de speelsters van OVV, bij gebrek aan andere vrouwenteams, zich voornamelijk beperkten tot trainen en alleen onderlinge wedstrijden speelden.

De nationale voetbalbond zag niets in het initiatief uit Oostzaan. In 1925 schrijft oud-bestuurder J.P. van Bel in het jaarboek van de bond ‘dat een vrouw met uitgezakte haarknot, verwaaid polka-kopje, verhit hoofd, opgestroopte mouwen en afgezakte kousen’ afzichtelijk was. De verhouding tussen vrouw en voetbal moest volgens hem ‘louter passief’ zijn. De pers bleef niet achter. Zo schreef de bekende sportjournalist Hans Meerum Terwogt in 1924 in de De revue der sporten: ‘Men kan houden van gerookte paling en men kan houden van chocoladepudding, beide in hun soort voortreffelijk maar in combinatie walgelijk. Zoo is ’t ook met damesvoetbal.’

Het zou tot 1933 duren voordat er in Nederland serieuze vrouwenvoetbalwedstrijden werden georganiseerd. In dat jaar werd in Den Haag de vrouwenvoetbalclub Chelcea opgericht. De naam was een verbastering van Celcia – een reeds bestaande herenvoetbalclub – en het Engelse Chelsea, waar de vrouwen fan van waren. Vijf jaar lang speelde Chelcea bij gebrek aan een eigen competitie in het hele land demonstratiewedstrijden tegen A-junioren, buitenlandse teams en andere vrouwenteams. Het was de eerste club waar gemengd voetbal tegen jongens werd gespeeld.

In augustus 1933 zag vervolgens de Eerste Amsterdamsche Dames-Voetbalvereeniging (EADV) het levenslicht. In de hoofdstad werden behalve de EADV nog meer vrouwenclubs opgericht, zoals Olympia en The Franklin Girls – vernoemd naar de plaats van oprichting: de John Franklinstraat in Amsterdam-West. In 1933 werd ook de Groningsche Dames Voetbal Club Martini opgericht. Verder ontstonden in Rotterdam de clubs Roba (Rotterdamse baanbreeksters), VNB (Voor Niemand Bang) en Arsenal. In Leiden speelden de vrouwen bij VIOS (Voetbal Is Ons Streven). De vrouwenclubs speelden incidenteel en verspreid door het land oefenwedstrijden tegen elkaar, waar vaak de nodige toeschouwers op af kwamen. Vrouwenvoetbal bleek een succes te zijn. Dat succes werd ze alleen niet gegund door de KNVB.

Op een KNVB-vergadering in december 1937 werd zelfs een voorschot genomen op een landelijk verbod op vrouwenvoetbal. Het bondsbestuur sprak zich uit tegen de sport, vooral naar aanleiding van een feestelijke jubileumwedstrijd die gespeeld was tussen mannelijke veteranen van de Ajax Sportman Combinatie (ASC) uit Oegstgeest en het vrouwenteam van Chelcea. De KNVB besloot dat verenigingen hun terreinen niet langer voor damesvoetbal beschikbaar mochten stellen.

Volgens bondsbestuurder Carl Hirschman berustten de bezwaren van de KNVB niet op ‘conservatisme en gewichtdoenerij’, aangezien er geen land was waar damesvoetbal niet afgekeurd werd. Hij verwees daarbij naar het verbod van de Franse voetbalbond en naar de FA in Engeland, waar ‘de dames van meening waren dat goed georganiseerde liefdadigheid bij zich zelf begon’. Bovendien was kort daarvoor bij een wedstrijd in Glamorgan, Wales, een voetbalster overleden nadat ze met een andere speelster in botsing was gekomen – een gebeurtenis die breed was uitgemeten in de media.

In 1938 vond de KNVB definitief dat het wel mooi was geweest. Trainers mochten vrouwen niet langer opleiden en adviseren. Verenigingen zouden geschorst worden als ze dat wel deden. Ook het gemengde voetbal werd verboden. Zo kwam er een voorlopig einde aan het georganiseerde Nederlandse vrouwenvoetbal.

De voetbaldames moesten vervolgens een kleine twintig jaar wachten voordat ze enigszins serieus werden genomen. Pas in 1955 ging in Nederland op clubniveau het vrouwenvoetbal van start. Een jaar later werd de eerste officieuze interland gespeeld door het Nederlands vrouwenvoetbalelftal. De organisatie was in handen van de Nederlandse Damesvoetbalbond, die in 1971 opging in de KNVB.