Een jaar na de Tweede Wereldoorlog werd bij het hockeystadion in het Amsterdamse Bos een gedenkteken onthuld, ‘ter eering van de nagedachtenis van de in den oorlog gesneuvelde spelers’. Dat was op 15 september 1946 tijdens de Nederlandse Hockeydag.

‘Voor den eindstrijd,’ schreef Het Algemeen Handelsblad, ‘heeft de voorzitter van den KNHB, jhr. mr. Hooft Graafland met een korte, eenvoudige maar niettemin indrukwekkende rede een monument onthuld.’ Dit idee stamde al van september 1940, maar pas zes jaar later kon het eindelijk worden uitgevoerd. “Hierbij past een stilstaan,” sprak Hooft Graafland, “een tot nadenken gedwongen worden over wat zij, die van ons werden weggenomen, ons te zeggen hebben en wat hun zelfopofferingen, hun ondervonden martelingen, hun dood op het veld van eer of voor de vuurpelotons of bombardementen, beteekenen.”

Zoals voor bijna alle sporten in Nederland waren de oorlogsjaren voor het hockey zowel traumatisch als een periode van bloei. Aan het einde van 1940 kende de Hockeybond bijna 5.000 leden. Drie jaar later waren dat er ruim 18.000 – méér dan een verdrievoudiging. Dat kwam onder meer door gedwongen eenwording en fusies, maar deze groei is desondanks spectaculair. Tegelijkertijd werden de omstandigheden steeds moeilijker. Enkele weken na de Duitse inval sloot de Hockeybond het seizoen vervroegd af. ‘Er zullen competitie- noch bekerwedstrijden worden gespeeld.’ Pas op 6 oktober werd de competitie hervat.

Eind 1941 was het de Joodse hockeyers niet meer toegestaan mee te doen. Enkele maanden daarvoor werden er in Amsterdam nog wel plannen gemaakt voor een Joodse hockeyclub in het winterseizoen, zo blijkt uit Het Joodsche Weekblad van 30 mei 1941. ‘Men kan zich voor de hockey-club schriftelijk aanmelden bij den heer A. T. Winkler.’ Uit de gegevens van het Joods Monument blijkt dat een jaar later twee leden van deze familie in Auschwitz werden vermoord.

De competitie ging ondertussen door totdat in het laatste oorlogsseizoen de hockeysport compleet stillag. Na de Bevrijding bleek veel verdwenen of vernield en daarom werden in Brits-Indië duizenden hockeysticks besteld. ‘Men zal er echter goed aan doen, zich geen al te hooge bergen van sportmateriaal voor te stellen, en de toekomst zoo nuchter mogelijk te zien,’ luidde de waarschuwing vooraf. Toch was er in de zomer van 1945 een opmerkelijke solidariteitsactie van de Amsterdamse sport om de slachtoffers van de Slag om Arnhem te steunen. Ook de hockeyers deden mee: ‘Amsterdamse sportmannen en -vrouwen willen iets extra's doen voor hun Arnhemse sportvrienden en -vriendinnen, die van alles beroofd zijn.’ Het leverde alleen weinig op vanwege de eigen tekorten. Volgens een document in het Stadsarchief zijn er slechts twee hockeysticks naar Arnhem gestuurd.

De Amsterdamse hockeyclubs hadden het simpelweg te druk met zichzelf. Bij AH&BC bleken na tellingen tien leden te zijn omgekomen, wat voor veel verdriet zorgde. Zo was hockeyinternational Piet Roodenburgh eind 1944 verraden en gefusilleerd vanwege zijn verzetsactiviteiten. “Beteekent het niet,” stelde Hooft Graafland in 1946 de retorische vraag over dergelijke slachtoffers, “dat wij door hun moedig optreden weer op vrijen Nederlandschen bodem, vrij adem halende, vrij-uit onze gedachten uitsprekende, kunnen leven?”

Vanwege het EK hockey 2017 in Amsterdam heb ik een boek gemaakt over 125 jaar hockey in Amsterdam, in samenwerking met het Stadsarchief en de gemeente Amsterdam. Je kan het hier gratis downloaden.