Vrouwen hadden al een halve eeuw stemrecht voordat de KNVB ze het recht gaf om te mogen voetballen. Ook bij het wielrennen werden vrouwen heel lang buitengesloten, maar dat geldt niet voor het hockey. Integendeel zelfs, want op de oprichtingsvergadering van de Amersfoortse hockeyclub Quickstep in 1896 was zowel de voorzitter als de penningmeester ‘twee jonge dames’, zo schreef Het Algemeen Dagblad. Twee jaar later volgde De Haarlemsche Dames Hockey en Bandy Club en op 25 februari 1899 was er in Amsterdam een dameshockeywedstrijd. De twintigste eeuw was nog niet begonnen of hockey werd al gespeeld door mannen én vrouwen.

Een eigenaardigheid in het Nederlandse hockey zorgde er zelfs lange tijd voor dat ze samen speelden in één team, net als bij korfbal – het zogenaamde mixed hockey. Het werd zelfs vaak in de naam van een nieuwe club opgenomen, waarbij bovengenoemde Quick Step de eerste was, voluit: Amersfoortsche Mixed Hockey Club Quickstep. Ook in Amsterdam waren er dit soort clubs, zoals Amsterdamsche Mixed Hockeyclub F.I.T. (Ferme Inspanning Triumpheert) uit 1928 en de Amsterdamsche Mixed Hockey Club Hurley van 1932, nu spelend in het Amsterdamse Bos.

De deelname van vrouwen in hockey bleef bovengemiddeld hoog, ook na de oorlog. Na onderzoek van de Amsterdamse Sportraad in 1952 werden er 564 vrouwen geteld onder de 1292 hockeyers in deze stad – bijna 44%. Dat was bijna twee keer zo hoog in vergelijking met de complete Amsterdamse sport, met 16.181 vrouwen op een totaal van 68.150!

Het ging dan wel alleen om ongetrouwde vrouwen, want na het huwelijk was het meteen afgelopen. Slechts vier procent van de Amsterdamse hockeyers in die tijd was een gehuwde vrouw, waarmee deze sport opeens weer heel slecht scoorde, ver achter zwemmen (21%), gymnastiek (idem) en korfbal (14%). De emancipatie van de hockeyvrouw bestond dus slechts tot het huwelijk.

Vrouwelijke hockeyers werden verder heel lang geweerd van de Olympische Spelen, want pas in 1980 mochten zij voor de eerste keer meedoen – precies een jaar voordat het IOC overigens zélf vrouwen toeliet tot de organisatie. Alhoewel de eerste vrouwen in 1900 werden toegelaten op de Olympische Spelen, bij tennis en golf, kregen ze pas in 1976 toestemming om met zogenaamde contactsporten mee te doen – sporten waarbij de deelnemers elkaar kunnen aanraken zoals hockey, basketbal en handbal. Bij alle voorgaande sporten was er geen contact mogelijk, zoals bij zwemmen (sinds 1912 olympisch) en atletiek en turnen (sinds 1928).

In deze eeuw zijn de Nederlandse vrouwenteams succesvoller dan de mannen – als het om de Olympische Spelen gaat overigens overeenkomstig het algemene beeld. In 1984 werd de eerste gouden olympische medaille gewonnen, net als in 2008 en 2012. De mannen wonnen in 2000 voor de laatste keer goud.

De emancipatie van het hockey ging daarmee schoksgewijs, ondanks de vroege en bovengemiddelde aanwezigheid van vrouwen in deze sport. Inmiddels is het vrouwenhockey gelijkwaardig, met overigens een extreme overheersing in de Hoofdklasse van de vrouwen van Den Bosch, die in afgelopen negentien jaar zeventien keer landskampioen werden. Maar dan moeten de anderen maar beter hun best doen.

Vanwege het EK hockey in Amsterdam heb ik een boek gemaakt over 125 jaar hockey in Amsterdam, in samenwerking met het Stadsarchief en de gemeente Amsterdam. Je kan het hier gratis downloaden.