Tientallen jaren leefde Theofiel Middelkamp als een kluizenaar in het Belgische Kieldrecht. Op een lentedag in 2003 ging John Graat van dagblad Trouw bij hem op bezoek: ‘Vragen stellen had geen zin. Tegenspraak duldde hij niet. Middelkamp zou zelf wel vertellen hoe zijn leven was verlopen. Elke zin bevatte wel een vloek, in zingend Zeeuws-Vlaams.’

Terwijl Middelkamp zijn pet op tafel smeet, begon hij al te klagen. ‘Dat de laatste jaren vissen op zijn geliefde Schelde geen zin meer had. Het water was te vervuild. De wereld werd geregeerd door nietsnutten in Den Haag en Brussel.’ Dit waren volgens de Trouwjournalist geen opmerkelijke uitspraken uit de mond van een man die zijn leven lang ruzie maakte. ‘De heren van de bond waren stinkende rotzakken, smeerlappen. Zijn zoons, met wie hij al jaren geen contact meer had vanwege een geldkwestie, noemde hij bandieten.’

In de crisisjaren dertig was Middelkamp wielrenner geworden, niet uit liefde voor de fiets, maar om een redelijk goedbelegde boterham te verdienen. Op 14 juli 1936 won hij als eerste Nederlander een Touretappe. De renner die nog nooit een berg had gezien, won de Alpenrit naar Grenoble. In 1938 won hij in Pau. Daarna keerde hij nooit meer terug in de Tour. Hij moest veel te lang op zijn prijzengeld wachten. Middelkamp werd uiteindelijk met 5.000 franc afgescheept. ‘Een franc per kilometer!’ Kermiskoersen waren veel lucratiever. Eer? ‘Met eer kun je geen brood betalen. Als het kon, liet hij de eer aan anderen. In ruil voor een leuke vergoeding. ‘Ik heb honderden koersen verkocht.’

Zijn wielercarrière werd onderbroken door de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de oorlog verdiende Middelkamp zijn geld als smokkelaar. Hij werd echter betrapt en zat maanden vast. Na de oorlog ging hij weer fulltime wielrennen.

In 1947 pakte hij de wereldtitel in Reims. ‘Het wereldkampioenschap was de mooiste overwinning, nietwaar Fiel?’, vroeg Fons Bleijenberg – een dorpsgenoot die zich de laatste levensjaren van Middelkamp over hem ontfermde – tijdens het gesprek met de Trouwjournalist. Middelkamp schudde van nee. ‘Op Kieldrecht winnen was mijn genot.’ Middelkamp won er zeven keer.

Andere wedstrijden deden hem weinig. ‘Het koersen interesseerde me niet, zot ben ik er nooit op geweest. In 1946 verspeelde ik de wereldtitel in Zürich door een defect aan mijn derailleur. Ik heb er geen traan om gelaten. Ik zag mannen die stonden te schreeuwen als ze wereldkampioen waren geworden. Voor mij was het gewoon een koers als alle andere. Toen ik wereldkampioen werd en thuiskwam, heb ik geen mens gezien.’

Middelkamp klaagde vaak over het gebrek aan erkenning in eigen land. Zo zei hij in 2003 tegen journalist Sven Remijnsen: ‘Mijn vaderland heeft mij altijd laten zitten. Ik wilde in 1998 naar het WK in Valkenburg, maar ze moesten mij niet. Vier keer kampioen van Holland, twee keer op de piste, wereldkampioen, winnaar in de Tour en ik was niet belangrijk genoeg. Later belden ze om het goed te maken. Jullie kunnen mijn kloten kussen!, heb ik gezegd.’

Vier jaar na het behalen van de wereldtitel had Middelkamp genoeg van het wielrennen. Een echte levensgenieter is hij hierna nooit geworden. ‘In 1951 reed ik mijn laatste koers. De vrouw was ziek geworden, ik heb mijn contracten afgewerkt en ben gestopt. Ik had geld genoeg. We hebben een huis gebouwd en er zeven maanden samen in gewoond. Toen is ze begraven. Daar had ik me bij neer te leggen. Als Hij mij nodig heeft, dan mag Hij gerust komen, zelfs vanavond nog. Ik heb genoeg miserie gehad.’

Middelkamp moest nog even geduld betrachten. De koning van de kermiskoersen overleed twee jaar later, op 2 mei 2005 op 91-jarige leeftijd.